Physics · Boek 4 · Bachelor Year 2

Universitaire natuurkunde — jaar 2

Universitaire natuurkunde — jaar 2 · Bachelor Year 2

2Kinematica van fluïda

Ga op een brug staan en kijk naar de rivier. Een blad drijft voorbij, versnelt tussen de pijlers, vertraagt in de kolk erachter, draait één keer rond in een wervel en gaat verder. U kunt de rivier beschrijven door dat blad te volgen — zijn plaats en zijn snelheid op elk ogenblik — of door stil te blijven staan en in elk punt van de rivier op te tekenen hoe snel het water er passeert. De tweede beschrijving is die van de fysicus: een snelheidsveld. Dit hoofdstuk zet de twee beschrijvingen op, leert de versnelling van een deeltje uit het veld berekenen, schrijft het behoud van massa als een lokale wet, en deelt stromingen in naar de vraag of zij draaien — de woordenschat die de vergelijkingen van Euler en Navier nodig zullen hebben.

Een rivier voorbij een brug: snel, glad water tussen de pijlers, wervels in hun lij — een snelheidsveld dat men in vaste punten afleest, geen enkele baan die men volgt.
Een rivier voorbij een brug: snel, glad water tussen de pijlers, wervels in hun lij — een snelheidsveld dat men in vaste punten afleest, geen enkele baan die men volgt.

2.1 De continuümbeschrijving

Definitie 2.1 (Fluïdumdeeltje; de continuümhypothese)

Een fluïdumdeeltje is een hoeveelheid fluïdum die klein genoeg is om op de schaal van de stroming als een punt te gelden, en toch groot genoeg om een enorm aantal moleculen te bevatten, zodat haar dichtheid ρ\rho, druk PP, temperatuur TT en gemiddelde snelheid v→\vect v goed gedefinieerde gemiddelden zijn (de mesoscopische schaal, doorgaans een micrometer). De continuümhypothese veronderstelt dat zo’n schaal bestaat: de gemiddelde vrije weglengte ℓ\ell van de moleculen moet veel kleiner zijn dan de schaal LL van de stroming, ℓ/L≪1\ell/L \ll 1. In lucht bij atmosferische druk is ℓ≈70 nm\ell \approx 70\,\mathrm{nm}; in een vloeistof is ℓ\ell de moleculaire afmeting. Het fluïdum wordt dan beschreven door velden ρ(M,t)\rho(M, t), P(M,t)P(M, t), v→(M,t)\vect v(M, t) die in elk punt gedefinieerd zijn.

Definitie 2.2 (Beschrijving van Lagrange en van Euler)

De beschrijving van Lagrange volgt elk fluïdumdeeltje: zijn plaats r→(t)\vect r(t) en zijn snelheid  ⁣dr→/ ⁣dt\dd\vect r/\dd t als functies van de tijd en van zijn beginplaats. De beschrijving van Euler geeft, in elk vast punt MM en op elk tijdstip tt, de snelheid v→(M,t)\vect v(M, t) van het deeltje dat op dat ogenblik door MM komt. Een baanlijn is de baan van een deeltje; een stroomlijn op het tijdstip tt is een kromme die in elk punt raakt aan v→(M,t)\vect v(M, t); een stroombuis is het oppervlak dat de stroomlijnen door een gesloten kromme vormen. Een stroming is stationair wanneer de velden van Euler niet van de tijd afhangen, ∂v→/∂t=0→\partial\vect v/\partial t = \vect 0; stroomlijnen en baanlijnen vallen dan samen en liggen vast.

Voorbeeld 2.3 (Twee beschrijvingen van één stroming)

Water in een tuinslang met doorsnede SS en debiet QQ beweegt overal met v=Q/Sv = Q/S: het veld van Euler is uniform en de beweging van elk deeltje in de zin van Lagrange is eenparig. In het toelopende mondstuk is het veld van Euler nog altijd stationair, maar neemt vv langs de as toe: elk deeltje versnelt tijdens de doorgang, terwijl er in geen enkel vast punt iets met de tijd verandert. Dat is het eerste wat de beschrijving van Euler moet leren uitdrukken.

Links: een stationaire samentrekkende stroming — de stroomlijnen liggen vast, een gemerkt deeltje volgt er één van en versnelt waar de buis nauwer wordt. Rechts: de beschrijving van Euler tekent de snelheidsvector in vaste punten op; die van Lagrange volgt een deeltje langs zijn baanlijn.
Links: een stationaire samentrekkende stroming — de stroomlijnen liggen vast, een gemerkt deeltje volgt er één van en versnelt waar de buis nauwer wordt. Rechts: de beschrijving van Euler tekent de snelheidsvector in vaste punten op; die van Lagrange volgt een deeltje langs zijn baanlijn.

2.2 De materiële afgeleide

Stelling 2.4 (Materiële afgeleide (deeltjesafgeleide))

De veranderingssnelheid van een grootheid G(M,t)G(M, t) (scalair of vectorieel) voor het fluïdumdeeltje dat door MM komt op het tijdstip tt, is

DGDt=∂G∂t+(v→⋅grad→⁡) G,in het bijzondera→=Dv→Dt=∂v→∂t+(v→⋅grad→⁡) v→,\frac{\mathrm DG}{\mathrm Dt} = \frac{\partial G}{\partial t} + (\vect v\cdot \operatorname{\vect{grad}})\,G , \qquad\text{in het bijzonder}\qquad \vect a = \frac{\mathrm D\vect v}{\mathrm Dt} = \frac{\partial\vect v}{\partial t} + (\vect v\cdot\operatorname{\vect{grad}})\,\vect v ,

waarin (v→⋅grad→⁡)=vx∂x+vy∂y+vz∂z(\vect v\cdot\operatorname{\vect{grad}}) = v_x\partial_x + v_y\partial_y + v_z\partial_z. De eerste term is de lokale veranderingssnelheid (in een vast punt), de tweede de convectieve (omdat het deeltje zich verplaatst naar waar GG anders is). Voor de snelheid geldt (v→⋅grad→⁡)v→=grad→⁡(v2/2)+(curl→⁡v→)∧v→(\vect v\cdot \operatorname{\vect{grad}})\vect v = \operatorname{\vect{grad}}(v^2/2) + (\operatorname{\vect{curl}}\vect v)\wedge\vect v.

Bewijs. In  ⁣dt\dd t verplaatst het deeltje zich van MM naar M+v→  ⁣dtM + \vect v\,\dd t, zodat  ⁣dG=G(M+v→ ⁣dt,t+ ⁣dt)−G(M,t)=∂tG  ⁣dt+ ⁣dt (vx∂x+vy∂y+vz∂z)G\dd G = G(M + \vect v\dd t, t + \dd t) - G(M, t) = \partial_tG\,\dd t + \dd t\,(v_x\partial_x + v_y\partial_y + v_z\partial_z)G tot op eerste orde (kettingregel voor een functie van vier veranderlijken). De vectoridentiteit wordt op de xx-component nagegaan: [grad→⁡(v2/2)]x=vx∂xvx+vy∂xvy+vz∂xvz[\operatorname{\vect{grad}}(v^2/2)]_x = v_x\partial_xv_x + v_y\partial_x v_y + v_z\partial_xv_z en [(curl→⁡v→)∧v→]x=vy(∂yvx−∂xvy)+vz(∂zvx−∂xvz)[(\operatorname{\vect{curl}}\vect v)\wedge\vect v]_x = v_y(\partial_yv_x - \partial_xv_y) + v_z(\partial_zv_x - \partial_xv_z) (met de componenten van curl→⁡v→\operatorname{\vect{curl}}\vect v zoals hieronder gegeven in Definitie 2.12); hun som is vx∂xvx+vy∂yvx+vz∂zvxv_x\partial_xv_x + v_y\partial_yv_x + v_z\partial_zv_x. ∎

Voorbeeld 2.5 (Versnelling in een stationair mondstuk)

Een eendimensionale stationaire stroming v(x)=v0(1+x/L)v(x) = v_0(1 + x/L) langs een mondstuk: de lokale term valt weg en a=v  ⁣dv/ ⁣dx=v02(1+x/L)/La = v\,\dd v/\dd x = v_0^2(1 + x/L)/L. Een deeltje dat binnenkomt met v0=2 m/sv_0 = 2\,\mathrm{m}/\mathrm{s} en met 2v02v_0 vertrekt over L=5 cmL = 5\,\mathrm{cm}, ondervindt a=80a = 80 tot 160 m/s2160\,\mathrm{m}/\mathrm{s}^{2}: acht tot zestien gg, in een stroming waarin niets van de tijd afhangt.

Voorbeeld 2.6 (Lokaal tegenover convectief)

De temperatuur in een weerstation daalt in de loop van de nacht (∂T/∂t<0\partial T/ \partial t < 0: lokaal), en daalt voor een luchtpakket dat door de wind noordwaarts wordt meegevoerd (v→⋅grad→⁡T<0\vect v\cdot\operatorname{\vect{grad}}T < 0: convectief, of advectief). Een thermometer aan een ballon die met de wind meedrijft, tekent de som op, DT/Dt\mathrm DT/\mathrm Dt; het weerstation tekent alleen de eerste term op.

2.3 Behoud van massa

Definitie 2.7 (Massadebiet en volumedebiet)

Het massadebiet door een georiënteerd oppervlak SS is de massa die er per tijdseenheid doorheen gaat, Dm=∑ρ v→⋅n→  ⁣dSD_m = \sum\rho\,\vect v\cdot\vect n\,\dd S — de flux van de massastroomdichtheid j→=ρv→\vect j = \rho\vect v (eenheid kg m−2 s−1\mathrm{kg}\,\mathrm{m}^{-2}\,\mathrm{s}^{-1}); het volumedebiet is DV=∑v→⋅n→  ⁣dSD_V = \sum\vect v \cdot\vect n\,\dd S (m3/s\mathrm{m}^{3}/\mathrm{s}). Voor een uniforme snelheid loodrecht op een vlakke doorsnede met oppervlakte SS is Dm=ρvSD_m = \rho vS en DV=vSD_V = vS.

Bewijs. In  ⁣dt\dd t is het fluïdum dat het element  ⁣dS\dd S passeert, dat wat besloten ligt in de scheve cilinder met grondvlak  ⁣dS\dd S en beschrijvende v→  ⁣dt\vect v\,\dd t, met volume v→⋅n→  ⁣dS  ⁣dt\vect v\cdot\vect n\,\dd S\,\dd t en massa ρ\rho maal dat volume. ∎

Stelling 2.8 (Lokaal behoud van massa)

In elk punt van een fluïdum geldt

∂ρ∂t+div⁡(ρv→)=0,waarindiv⁡A→=∂Ax∂x+∂Ay∂y+∂Az∂z\frac{\partial\rho}{\partial t} + \operatorname{div}(\rho\vect v) = 0 , \qquad\text{waarin}\qquad \operatorname{div}\vect A = \frac{\partial A_x}{\partial x} + \frac{\partial A_y}{\partial y} + \frac{\partial A_z}{\partial z}

de divergentie van een vectorveld is: de netto naar buiten gerichte flux van A→\vect A door het oppervlak van een klein volume, per volume-eenheid. Even goed geldt Dρ/Dt+ρdiv⁡v→=0\mathrm D\rho/\mathrm Dt + \rho\operatorname{div}\vect v = 0.

Bewijs. Neem het vaste blokje [x,x+ ⁣dx]×[y,y+ ⁣dy]×[z,z+ ⁣dz][x, x + \dd x]\times[y, y + \dd y]\times[z, z + \dd z]. Zijn massa ρ  ⁣dx ⁣dy ⁣dz\rho\,\dd x\dd y\dd z verandert met de snelheid ∂tρ  ⁣dx ⁣dy ⁣dz\partial_t\rho\,\dd x\dd y \dd z. Er komt massa binnen door het zijvlak in xx met jx(x) ⁣dy ⁣dzj_x(x)\dd y\dd z en er gaat massa uit door het zijvlak in x+ ⁣dxx + \dd x met jx(x+ ⁣dx) ⁣dy ⁣dzj_x(x + \dd x)\dd y\dd z: netto uitstroom ∂xjx  ⁣dx ⁣dy ⁣dz\partial_xj_x\,\dd x\dd y\dd z, en evenzo voor yy en zz. Behoud van massa — er wordt geen massa gemaakt — geeft ∂tρ=−(∂xjx+∂yjy+∂zjz)\partial_t\rho = - (\partial_xj_x + \partial_yj_y + \partial_zj_z). De tweede vorm volgt uit div⁡(ρv→)=v→⋅grad→⁡ρ+ρdiv⁡v→\operatorname{div}(\rho\vect v) = \vect v\cdot\operatorname{\vect{grad}}\rho + \rho\operatorname{div}\vect v. ∎

Opmerking 2.9 (De divergentie, een eerste kennismaking)

De afleiding laat zien wat div⁡\operatorname{div} meet: de flux die per volume-eenheid uit een klein blokje treedt. Sommeert men over de blokjes die een eindig volume VV betegelen, dan heffen de inwendige zijvlakken elkaar paarsgewijs op en blijft alleen het buitenoppervlak over: ∬∂VA→⋅n→  ⁣dS=∭Vdiv⁡A→  ⁣dτ\iint_{\partial V}\vect A\cdot\vect n\,\dd S = \iiint_V \operatorname{div}\vect A\,\dd\tau — de divergentiestelling (Ostrogradski), die wij netjes zullen formuleren in Hoofdstuk 11 en door de hele elektromagnetica heen zullen gebruiken; zij wordt bewezen in het wiskundevolume van jaar 3. Geïntegreerd over een vast volume luidt de lokale wet  ⁣dmV/ ⁣dt=−Dmuit\dd m_V/\dd t = -D_m^{\text{uit}}: de massa binnenin verandert met wat de rand oversteekt.

Links: de massabalans van een vast blokje — de netto uitstroom door zijn zes zijvlakken, per volume-eenheid, is de divergentie van v. Rechts: in een stationaire stroming is het massadebiet door elke doorsnede van een stroombuis hetzelfde.
Links: de massabalans van een vast blokje — de netto uitstroom door zijn zes zijvlakken, per volume-eenheid, is de divergentie van ρv→\rho\vect v. Rechts: in een stationaire stroming is het massadebiet door elke doorsnede van een stroombuis hetzelfde.

Gevolg 2.10 (Onsamendrukbare stroming; stroombuizen)

Een stroming heet onsamendrukbaar wanneer de dichtheid van elk deeltje constant blijft, Dρ/Dt=0\mathrm D\rho/\mathrm Dt = 0, wat gelijkwaardig is met

div⁡v→=0.\operatorname{div}\vect v = 0 .

Een homogene vloeistof stroomt onsamendrukbaar; een gas ook, zolang de snelheden ver onder de geluidssnelheid blijven (zie Hoofdstuk 7). In een stationaire stroming is het massadebiet ρvS\rho vS door elke doorsnede van een stroombuis hetzelfde; is de stroming bovendien onsamendrukbaar en ρ\rho uniform, dan is vSvS constant: het fluïdum versnelt waar de buis nauwer wordt.

Bewijs. Dρ/Dt=−ρdiv⁡v→\mathrm D\rho/\mathrm Dt = -\rho\operatorname{div}\vect v. Voor de buis past men de geïntegreerde balans toe op het volume tussen twee doorsneden: geen flux door het zijoppervlak (de snelheid raakt eraan), stationaire toestand, dus instroom gelijk aan uitstroom. ∎

Voorbeeld 2.11 (Bloed)

De aorta (doorsnede 2.5 cm22.5\,\mathrm{cm}^{2}) voert 5 L/min5\,\mathrm{L}/\mathrm{min} =83 cm3/s= 83\,\mathrm{cm}^{3}/\mathrm{s}: v=33 cm/sv = 33\,\mathrm{cm}/\mathrm{s}. Datzelfde debiet gaat door ongeveer 101010^{10} haarvaten met een totale doorsnede van zo’n 2500 cm22500\,\mathrm{cm}^{2}: v=0.3 mm/sv = 0.3\,\mathrm{mm}/\mathrm{s} — traag genoeg voor uitwisseling door de wanden, wat het doel van de vertakking is.

2.4 Vorticiteit en rotatievrije stromingen

Definitie 2.12 (Vorticiteit)

De vorticiteit van een stroming is het vectorveld

ω→=curl→⁡v→,curl→⁡A→=(∂Az∂y−∂Ay∂z,  ∂Ax∂z−∂Az∂x,  ∂Ay∂x−∂Ax∂y).\vect\omega = \operatorname{\vect{curl}}\vect v , \qquad \operatorname{\vect{curl}}\vect A = \Bigl(\frac{\partial A_z}{\partial y} - \frac{\partial A_y}{\partial z},\; \frac{\partial A_x}{\partial z} - \frac{\partial A_z} {\partial x},\; \frac{\partial A_y}{\partial x} - \frac{\partial A_x}{\partial y}\Bigr) .

Een stroming is rotatievrij waar ω→=0→\vect\omega = \vect 0.

Propositie 2.13 (Vorticiteit meet de lokale rotatie)

Een klein fluïdumelement met middelpunt MM draait, als geheel, met de hoeksnelheid Ω→=12ω→(M)\vect\Omega = \tfrac12\vect\omega(M). In een rotatie als star lichaam, v→=Ω→∧OM→\vect v = \vect\Omega\wedge\vect{OM}, is de vorticiteit uniform, ω→=2Ω→\vect\omega = 2\vect\Omega; in de vlakke afschuifstroming v→=ky e→x\vect v = ky\,\vect e_x is zij ω→=−ke→z\vect\omega = -k\vect e_z: een schoepenradje dat men in een afschuifstroming laat vallen, draait rond hoewel de stroomlijnen recht zijn.

Bewijs. Nabij MM is v→(M+ϵ→)=v→(M)+Gϵ→\vect v(M + \vect\epsilon) = \vect v(M) + \mathbf G\vect\epsilon met G\mathbf G de matrix van ∂jvi\partial_jv_i; splits haar in haar symmetrische deel (een zuivere vervorming, die het element rekt zonder het als geheel te draaien) en haar antisymmetrische deel, waarvan de matrix 12(∂jvi−∂ivj)\tfrac12(\partial_jv_i - \partial_iv_j) die van ϵ→↦12ω→∧ϵ→\vect\epsilon \mapsto \tfrac12\vect\omega\wedge\vect\epsilon is (Stelling 1.2). Rotatie als star lichaam om e→z\vect e_z: v→=Ω(−y,x,0)\vect v = \Omega(-y, x, 0), ωz=∂xvy−∂yvx=2Ω\omega_z = \partial_xv_y - \partial_yv_x = 2\Omega. Afschuiving: ωz=−∂y(ky)=−k\omega_z = -\partial_y(ky) = -k. ∎

Definitie 2.14 (Snelheidspotentiaal; circulatie)

In een rotatievrije stroming is de snelheid afgeleid van een snelheidspotentiaal: v→=grad→⁡φ\vect v = \operatorname{\vect{grad}}\varphi (de circulatie van v→\vect v langs een weg hangt dan alleen van de uiteinden af, ∫ABv→⋅ ⁣dl→=φ(B)−φ(A)\int_A^B\vect v \cdot\dd\vect l = \varphi(B) - \varphi(A)). Is de stroming bovendien onsamendrukbaar, dan is Δφ=div⁡grad→⁡φ=0\Delta\varphi = \operatorname{div}\operatorname{\vect{grad}} \varphi = 0: de potentiaal voldoet aan de vergelijking van Laplace, net als de elektrostatische potentiaal in een ladingsvrij gebied — een potentiaalstroming. De circulatie van de snelheid langs een gesloten kromme CC is Γ=∮Cv→⋅ ⁣dl→\Gamma = \oint_C\vect v\cdot\dd\vect l.

Bewijs. Dat een rotatievrij veld op een enkelvoudig samenhangend gebied een gradiënt is, en dat een gradiënt rotatievrij is (∂y∂zφ=∂z∂yφ\partial_y\partial_z\varphi = \partial_z\partial_y\varphi), hoort bij het wiskundevolume van jaar 2; de vergelijking van Laplace volgt uit div⁡v→=0\operatorname{div}\vect v = 0. ∎

Voorbeeld 2.15 (Drie vlakke stromingen)

(i) Stuwpuntstroming v→=k(x,−y)\vect v = k(x, -y): div⁡v→=0\operatorname{div}\vect v = 0, ω→=0→\vect\omega = \vect 0, φ=12k(x2−y2)\varphi = \tfrac12k(x^2 - y^2); stroomlijnen xy=xy = const, hyperbolen — een straal die een wand treft, dicht bij de as. (ii) Puntwervel v→=Γ2πre→θ\vect v = \dfrac{\Gamma}{2\pi r}\vect e_\theta (vlakke poolcoördinaten): onsamendrukbaar en overal rotatievrij behalve in r=0r = 0, φ=Γθ/2π\varphi = \Gamma\theta/2\pi (meerwaardig), en de circulatie op elke cirkel om het middelpunt is Γ\Gamma — de vorticiteit zit geconcentreerd op de as. (iii) Wervel van Rankine: een kern r<ar < a die als star lichaam draait, vθ=Ωrv_\theta = \Omega r (vorticiteit 2Ω2\Omega), aangesloten op de puntwervel vθ=Ωa2/rv_\theta = \Omega a^2/r daarbuiten: het model van een tornado, van een draaikolk in het bad of van de wervel achter de brugpijler — de snelheid is maximaal aan de rand van de kern.

Drie vlakke stromingen. Links: de stuwpuntstroming, rotatievrij, met hyperbolische stroomlijnen. Midden: de puntwervel — cirkelvormige stroomlijnen, en toch vorticiteit nul buiten het middelpunt. Rechts: het profiel van de wervel van Rankine, rotatie als star lichaam in de kern en een puntwervel daarbuiten.
Drie vlakke stromingen. Links: de stuwpuntstroming, rotatievrij, met hyperbolische stroomlijnen. Midden: de puntwervel — cirkelvormige stroomlijnen, en toch vorticiteit nul buiten het middelpunt. Rechts: het profiel van de wervel van Rankine, rotatie als star lichaam in de kern en een puntwervel daarbuiten.

Opmerking 2.16 (Waarom de circulatie ertoe doet)

Voor een kleine vlakke lus met oppervlakte  ⁣dS\dd S en normaal n→\vect n is de circulatie ∮v→⋅ ⁣dl→=ω→⋅n→  ⁣dS\oint\vect v\cdot\dd\vect l = \vect\omega\cdot\vect n\,\dd S — de vorticiteit is de circulatie per oppervlakte-eenheid, precies zoals de divergentie de flux per volume-eenheid is. (Ga het na op de rotatie als star lichaam: 2πr⋅Ωr=2Ω⋅πr22\pi r\cdot\Omega r = 2\Omega\cdot\pi r^2.) Gesommeerd over een oppervlak geeft dit de stelling van Stokes, ∮Cv→⋅ ⁣dl→=∬Scurl→⁡v→⋅n→  ⁣dS\oint_C\vect v\cdot\dd\vect l = \iint_S \operatorname{\vect{curl}}\vect v\cdot\vect n\,\dd S, geformuleerd in Hoofdstuk 11. Een vleugel wekt draagkracht op door een circulatie om zich heen te dragen; een wervellijn blijft in een volmaakt fluïdum bestaan (stelling van Kelvin) — en daarom houdt de wervel achter de pijler het zo lang uit.

Methode 2.17 (Een snelheidsveld lezen)

Gegeven v→(M,t)\vect v(M, t): (1) is zij stationair? (∂tv→=0→\partial_t\vect v = \vect 0); (2) is zij onsamendrukbaar? (div⁡v→=0\operatorname{div}\vect v = 0); (3) is zij rotatievrij? (curl→⁡v→=0→\operatorname{\vect{curl}}\vect v = \vect 0; zo ja, bepaal φ\varphi); (4) bepaal de stroomlijnen uit  ⁣dx/vx= ⁣dy/vy= ⁣dz/vz\dd x/v_x = \dd y/v_y = \dd z/ v_z bij vaste tt, en de baanlijnen uit  ⁣dr→/ ⁣dt=v→(r→,t)\dd\vect r/\dd t = \vect v(\vect r, t); (5) bereken de versnelling ∂tv→+(v→⋅grad→⁡)v→\partial_t\vect v + (\vect v\cdot \operatorname{\vect{grad}})\vect v. In vlakke poolcoördinaten (r,θ)(r, \theta) is div⁡v→=1r∂(rvr)∂r+1r∂vθ∂θ\operatorname{div}\vect v = \dfrac1r\dfrac{\partial(rv_r)}{\partial r} + \dfrac1r \dfrac{\partial v_\theta}{\partial\theta} en ωz=1r∂(rvθ)∂r−1r∂vr∂θ\omega_z = \dfrac1r\dfrac{\partial(rv_\theta)} {\partial r} - \dfrac1r\dfrac{\partial v_r}{\partial\theta} (hier aangenomen; afgeleid in Hoofdstuk 11).

2.5 Oefeningen

Oefening 2.1 ★

De gemiddelde vrije weglengte in lucht is 70 nm70\,\mathrm{nm} bij 1 bar1\,\mathrm{bar} en verandert als 1/P1/P. Geldt de continuümbeschrijving voor (a) lucht rond een auto, (b) lucht in een microkanaal van 1 µm1\,\text{µ}\mathrm{m} bij 1 bar1\,\mathrm{bar}, (c) lucht op 100 km100\,\mathrm{km} hoogte (P≈3×10−7 barP \approx 3 \times 10^{-7}\,\mathrm{bar}) rond een satelliet van 1 m1\,\mathrm{m}? Geef in elk geval ℓ/L\ell/L.

Oplossing

Oplossing van Oefening 2.1.

(a) ℓ/L∼7×10−8\ell/L \sim 7 \times 10^{-8}: continuüm. (b) 0.070.07: grensgeval — de wetten van het continuüm beginnen te falen (slip langs de wanden). (c) ℓ=70×10−9/3×10−7=0.23 m\ell = 70 \times 10^{-9} /3 \times 10^{-7} = 0.23\,\mathrm{m}, ℓ/L=0.23\ell/L = 0.23: geen continuüm; het gas is een regen van onafhankelijke moleculen (vrijmoleculair regime).

Oefening 2.2 ★

Stationaire eendimensionale stroming v(x)=v0(1+x/L)v(x) = v_0(1 + x/L) voor 0≤x≤L0 \le x \le L. Versnelling van een deeltje in xx; tijd die het nodig heeft om van 00 tot LL te komen; vergelijk met L/v0L/v_0 en L/2v0L/2v_0.

Oplossing

Oplossing van Oefening 2.2.

a=v  ⁣dv/ ⁣dx=v02(1+x/L)/La = v\,\dd v/\dd x = v_0^2(1 + x/L)/L (van v02/Lv_0^2/L tot 2v02/L2v_0^2/L).  ⁣dx/ ⁣dt=v0(1+x/L)\dd x/\dd t = v_0(1 + x/L): t=(L/v0)ln⁡2=0.69 L/v0t = (L/v_0)\ln2 = 0.69\,L/v_0, tussen L/2v0L/2v_0 en L/v0L/v_0.

Oefening 2.3 ★

In een buis met straal RR is het snelheidsprofiel langs de as v(r)=vmax⁡(1−r2/R2)v(r) = v_{\max}(1 - r^2/R^2). Volumedebiet; gemiddelde snelheid ⟨v⟩=DV/πR2\langle v\rangle = D_V/\pi R^2; getallen voor R=5 mmR = 5\,\mathrm{mm}, vmax⁡=0.4 m/sv_{\max} = 0.4\,\mathrm{m}/\mathrm{s}.

Oplossing

Oplossing van Oefening 2.3.

DV=∫0Rvmax⁡(1−r2/R2) 2πr  ⁣dr=12πR2vmax⁡D_V = \int_0^Rv_{\max}(1 - r^2/R^2)\,2\pi r\,\dd r = \tfrac12\pi R^2v_{\max}; ⟨v⟩=vmax⁡/2=0.20 m/s\langle v\rangle = v_{\max}/2 = 0.20\,\mathrm{m}/\mathrm{s}; DV=1.6×10−5 m3/s=16 mL/sD_V = 1.6 \times 10^{-5}\,\mathrm{m}^{3}/\mathrm{s} = 16\,\mathrm{mL}/\mathrm{s}.

Oefening 2.4 ★

Zeg voor elk veld of de stroming onsamendrukbaar is en of zij rotatievrij is; geef de vorticiteit: (a) v→=(ax,−ay,0)\vect v = (ax, -ay, 0); (b) v→=(−Ωy,Ωx,0)\vect v = (-\Omega y, \Omega x, 0); (c) v→=(ax,ay,0)\vect v = (ax, ay, 0); (d) v→=(ky,0,0)\vect v = (ky, 0, 0); (e) v→=(ax,−ay,bz)\vect v = (ax, -ay, bz) — voor welke bb is zij onsamendrukbaar?

Oplossing

Oplossing van Oefening 2.4.

(a) div⁡=0\operatorname{div} = 0, ω→=0→\vect\omega = \vect 0: onsamendrukbaar, rotatievrij. (b) div⁡=0\operatorname{div} = 0, ωz=2Ω\omega_z = 2\Omega: rotatie als star lichaam. (c) div⁡=2a≠0\operatorname{div} = 2a \ne 0, rotatievrij (een vlakke bron). (d) div⁡=0\operatorname{div} = 0, ωz=−k\omega_z = -k: afschuiving. (e) div⁡=b\operatorname{div} = b: onsamendrukbaar dan en slechts dan als b=0b = 0; rotatievrij voor elke bb.

Oefening 2.5 ★★

Een tuinslang met inwendige diameter 12 mm12\,\mathrm{mm} vult een emmer van 10 L10\,\mathrm{L} in 50 s50\,\mathrm{s}. Snelheid in de slang; snelheid in een mondstuk van 3 mm3\,\mathrm{mm}; loopt het mondstuk over 4 cm4\,\mathrm{cm} toe, schat dan de gemiddelde versnelling van een deeltje dat het doorloopt (in gg); tijd die het in het mondstuk doorbrengt.

Oplossing

Oplossing van Oefening 2.5.

DV=0.20 L/sD_V = 0.20\,\mathrm{L}/\mathrm{s}. Slang S=1.13 cm2S = 1.13\,\mathrm{cm}^{2}: v=1.8 m/sv = 1.8\,\mathrm{m}/\mathrm{s}; mondstuk S=7.1 mm2S = 7.1\,\mathrm{mm}^{2}: v=28 m/sv = 28\,\mathrm{m}/\mathrm{s}. Gemiddelde versnelling Δ(v2/2)/L=(282−1.82)/0.08≈1×104 m/s2≈1000 g\Delta(v^2/2)/L = (28^2 - 1.8^2)/0.08 \approx 1 \times 10^{4}\,\mathrm{m}/\mathrm{s}^{2} \approx 1000\,g. Tijd ≈∫ ⁣dx/v\approx \int\dd x/v: enkele milliseconden (4 ms4\,\mathrm{ms} bij een lineair snelheidsprofiel).

Oefening 2.6 ★★

Niet-stationaire vlakke stroming v→=(U,Vcos⁡ωt)\vect v = (U, V\cos\omega t) met UU, VV, ω\omega constant. (a) Stroomlijnen op het tijdstip tt. (b) Baanlijn van het deeltje dat op t=0t = 0 in de oorsprong is. (c) Schets beide voor V=UV = U op t=0t = 0 en op t=π/2ωt = \pi/2\omega; waarom verschillen zij? (d) Versnelling van een deeltje.

Oplossing

Oplossing van Oefening 2.6.

(a)  ⁣dy/ ⁣dx=(V/U)cos⁡ωt\dd y/\dd x = (V/U)\cos\omega t: rechte lijnen met richtingscoëfficiënt (V/U)cos⁡ωt(V/U)\cos\omega t, alle evenwijdig, die met de tijd kantelen. (b) x=Utx = Ut, y=(V/ω)sin⁡ωty = (V/\omega)\sin\omega t: de sinusoïde y=(V/ω)sin⁡(ωx/U)y = (V/\omega)\sin(\omega x/U). (c) Op t=0t = 0 staan de stroomlijnen onder 45∘45{}^{\circ} en verlaat de baanlijn de oorsprong onder 45∘45{}^{\circ}; op t=π/2ωt = \pi/2\omega zijn de stroomlijnen horizontaal terwijl de baanlijn een vaste sinusoïde is. Zij verschillen omdat de stroming niet stationair is: een stroomlijn is een momentopname, een baanlijn een geschiedenis. (d) a→=∂tv→=(0,−Vωsin⁡ωt)\vect a = \partial_t\vect v = (0, -V\omega\sin\omega t) — het veld is uniform, dus de convectieve term valt weg.

Oefening 2.7 ★★

Een rivier van 50 m50\,\mathrm{m} breed en 2.0 m2.0\,\mathrm{m} diep stroomt met 1.2 m/s1.2\,\mathrm{m}/\mathrm{s}. (a) Debiet. (b) Zij komt een kloof binnen van 15 m15\,\mathrm{m} breed en 4.0 m4.0\,\mathrm{m} diep: snelheid. (c) Een zijrivier voegt 30 m3/s30\,\mathrm{m}^{3}/\mathrm{s} toe; stroomafwaarts is de rivier 60 m60\,\mathrm{m} breed en 2.5 m2.5\,\mathrm{m} diep: snelheid. (d) Heet gas stroomt stationair door een buis met constante doorsnede; tussen twee punten verdubbelt zijn temperatuur bij constante druk: wat gebeurt er met zijn snelheid?

Oplossing

Oplossing van Oefening 2.7.

(a) DV=50×2×1.2=120 m3/sD_V = 50 \times 2 \times 1.2 = 120\,\mathrm{m}^{3}/\mathrm{s}. (b) 120/60=2.0 m/s120/60 = 2.0\,\mathrm{m}/\mathrm{s}. (c) 150/150=1.0 m/s150/150 = 1.0\,\mathrm{m}/\mathrm{s}. (d) ρ∝1/T\rho \propto 1/T bij constante PP halveert; ρvS\rho vS blijft behouden: de snelheid verdubbelt.

Oefening 2.8 ★★

Wervel van Rankine. vθ=Ωrv_\theta = \Omega r voor r<ar < a, vθ=Ωa2/rv_\theta = \Omega a^2/r voor r>ar > a. (a) Vorticiteit in elk gebied (gebruik de formule in poolcoördinaten). (b) Circulatie op een cirkel met straal rr om de as, in beide gebieden; breng die in verband met de vorticiteitsflux. (c) Een tornado: a=50 ma = 50\,\mathrm{m}, vmax⁡=70 m/sv_{\max} = 70\,\mathrm{m}/\mathrm{s}: Ω\Omega, Γ\Gamma, en de snelheid op 500 m500\,\mathrm{m}. (d) Is de stroming in de kern rotatievrij? En daarbuiten? Waar zit de “rotatie” fysisch?

Oplossing

Oplossing van Oefening 2.8.

(a) ωz=1r ⁣d(rvθ) ⁣dr\omega_z = \frac1r\frac{\dd(rv_\theta)}{\dd r}: 2Ω2\Omega binnenin, 00 daarbuiten. (b) Binnenin Γ=2πr⋅Ωr=2Ω⋅πr2\Gamma = 2\pi r\cdot\Omega r = 2\Omega\cdot\pi r^2, de flux van de vorticiteit; daarbuiten Γ=2πΩa2\Gamma = 2\pi\Omega a^2, constant, de flux van de hele kern. (c) Ω=vmax⁡/a=1.4 rad/s\Omega = v_{\max}/a = 1.4\,\mathrm{rad}/\mathrm{s}; Γ=2πavmax⁡=2.2×104 m2/s\Gamma = 2\pi av_{\max} = 2.2 \times 10^{4}\,\mathrm{m}^{2}/\mathrm{s}; op 500 m500\,\mathrm{m}: Ωa2/r=7 m/s\Omega a^2/r = 7\,\mathrm{m}/\mathrm{s}. (d) De kern draait als een star lichaam; daarbuiten is de stroming rotatievrij: deeltjes gaan om de as heen zonder om zichzelf te draaien. De vorticiteit — de rotatie — huist in de kern.

Oefening 2.9 ★★

Stuwpuntstroming v→=k(x,−y)\vect v = k(x, -y). (a) Potentiaal φ\varphi en ga na dat Δφ=0\Delta\varphi = 0. (b) Stroomlijnen; de functie ψ=kxy\psi = kxy is er constant op — toon aan dat vx=∂ψ/∂yv_x = \partial\psi/\partial y, vy=−∂ψ/∂xv_y = -\partial\psi/ \partial x (de stroomfunctie). (c) Versnellingsveld; toon aan dat het grad→⁡(v2/2)\operatorname{\vect{grad}}(v^2/2) is, en duid dat. (d) Baanlijn van een deeltje dat in (x0,y0)(x_0, y_0) vertrekt: x=x0ektx = x_0\eu^{kt}, y=y0e−kty = y_0\eu^{-kt}.

Oplossing

Oplossing van Oefening 2.9.

(a) φ=12k(x2−y2)\varphi = \tfrac12k(x^2 - y^2), Δφ=k−k=0\Delta\varphi = k - k = 0. (b)  ⁣dx/kx= ⁣dy/(−ky)\dd x/ kx = \dd y/(-ky): xy=xy = const; ∂yψ=kx=vx\partial_y\psi = kx = v_x, −∂xψ=−ky=vy-\partial_x\psi = -ky = v_y. (c) a→=(vx∂x+vy∂y)v→=k2(x,y)=grad→⁡(12k2(x2+y2))=grad→⁡(v2/2)\vect a = (v_x\partial_x + v_y\partial_y)\vect v = k^2(x, y) = \operatorname{\vect{grad}}\bigl(\tfrac12k^2(x^2 + y^2)\bigr) = \operatorname{\vect{grad}} (v^2/2): in een stationaire rotatievrije stroming is de versnelling de gradiënt van de kinetische energie per massa-eenheid; zij wijst van het stuwpunt weg — een deeltje vertraagt terwijl het langs yy de wand nadert en versnelt weg langs xx. (d) x˙=kx\dot x = kx, y˙=−ky\dot y = -ky: x=x0ektx = x_0\eu^{kt}, y=y0e−kty = y_0\eu^{-kt} (xyxy constant).

Oefening 2.10 ★★★

Een uitdijende stroming. Eendimensionale stroming v(x,t)=x/(t+τ)v(x, t) = x/(t + \tau) voor t>0t > 0, met τ>0\tau > 0 constant. (a) Baanlijnen: toon aan dat x(t)=x0(1+t/τ)x(t) = x_0(1 + t/\tau); versnelling van een deeltje, zowel uit de baanlijn als uit de materiële afgeleide. (b) De dichtheid is op elk tijdstip uniform, ρ(t)\rho(t): bepaal ρ(t)\rho(t) met behoud van massa. (c) Controleer dat door de massa tussen twee deeltjes te volgen. (d) Waarom is dit veld een eendimensionaal model van een uniform uitdijend heelal?

Oplossing

Oplossing van Oefening 2.10.

(a)  ⁣dx/ ⁣dt=x/(t+τ)\dd x/\dd t = x/(t + \tau) geeft x=x0(1+t/τ)x = x_0(1 + t/\tau), x¨=0\ddot x = 0; materiële afgeleide: ∂tv+v∂xv=−x/(t+τ)2+x/(t+τ)2=0\partial_tv + v\partial_xv = -x/(t + \tau)^2 + x/(t + \tau)^2 = 0. (b) ∂tρ+∂x(ρv)=ρ˙+ρ/(t+τ)=0\partial_t\rho + \partial_x(\rho v) = \dot\rho + \rho/(t + \tau) = 0: ρ=ρ0τ/(t+τ)\rho = \rho_0\tau/(t + \tau). (c) De afstand tussen twee deeltjes groeit als (1+t/τ)(1 + t/\tau) en de massa ertussen ligt vast: ρ∝1/(1+t/τ)\rho \propto 1/(1 + t/\tau). (d) v=Hxv = Hx met H=1/(t+τ)H = 1/(t + \tau): een wet van Hubble, vrije uitdijing (geen versnelling), met een dichtheid die als het omgekeerde van de schaalfactor afneemt.

Oefening 2.11 ★★★

Bron in een stroom. Superponeer een uniforme stroming v→=Ue→x\vect v = U\vect e_x en een vlakke bron v→=q2πre→r\vect v = \dfrac{q}{2\pi r}\vect e_r (qq het volumedebiet per lengte-eenheid langs zz). (a) Potentiaal φ=Ux+(q/2π)ln⁡r\varphi = Ux + (q/2\pi)\ln r; ga na dat beide stromingen onsamendrukbaar en rotatievrij zijn (behalve in de oorsprong). (b) Stuwpunt. (c) Stroomfunctie ψ=Uy+qθ/2π\psi = Uy + q\theta/2\pi; de stroomlijn door het stuwpunt is rsin⁡θ=(q/2πU)(π−θ)r\sin\theta = (q/2\pi U)(\pi - \theta): schets haar. (d) Toon aan dat deze stroomlijn ver stroomafwaarts op y=±q/2Uy = \pm q/2U ligt: de stroming erbuiten is de stroming om een stomp halflichaam met breedte q/Uq/U.

Oplossing

Oplossing van Oefening 2.11.

(a) v→=grad→⁡φ=(U+qx/2πr2,qy/2πr2)\vect v = \operatorname{\vect{grad}}\varphi = (U + qx/2\pi r^2, qy/2\pi r^2); de bron heeft vr=q/2πrv_r = q/2\pi r, div⁡=1r ⁣d(rvr)/ ⁣dr=0\operatorname{div} = \frac1r\dd(rv_r)/\dd r = 0 en geen θ\theta-afhankelijkheid, dus ωz=0\omega_z = 0; sommen van zulke velden zijn opnieuw onsamendrukbaar en rotatievrij. (b) Op de negatieve xx-as: U−q/2πr=0U - q/2\pi r = 0, dus xs=−q/2πUx_s = -q/2\pi U. (c) In het stuwpunt is θ=π\theta = \pi, y=0y = 0: ψ=q/2\psi = q/2; de stroomlijn Ursin⁡θ+qθ/2π=q/2Ur\sin\theta + q\theta/2\pi = q/2, d.w.z. rsin⁡θ=(q/2πU)(π−θ)r\sin\theta = (q/2\pi U)(\pi - \theta) — een kromme die uit xsx_s vertrekt en zich stroomafwaarts opent. (d) θ→0\theta \to 0: y→q/2Uy \to q/2U; θ→2π\theta \to 2\pi (onderste tak): y→−q/2Uy \to -q/2U. Het fluïdum binnen die stroomlijn komt uit de bron; daarbuiten stroomt de uniforme stroom om een halflichaam met asymptotische breedte q/Uq/U.

Oefening 2.12 ★★★

Wervel en put. Vlakke stroming v→=−q2πre→r+Γ2πre→θ\vect v = -\dfrac{q}{2\pi r}\vect e_r + \dfrac{\Gamma}{2\pi r}\vect e_\theta voor r>ar > a. (a) Toon aan dat zij onsamendrukbaar en rotatievrij is. (b) Stroomlijnen: logaritmische spiralen r=r0e−qθ/Γr = r_0\eu^{-q\theta/\Gamma}. (c) Versnelling van een deeltje: toon aan dat zij zuiver radiaal is, −v2/r e→r-v^2/r\,\vect e_r. (d) Tijd waarin een deeltje van r0r_0 naar aa spiraliseert; aantal omwentelingen dat het daarbij maakt. (e) Getallen: q=1.5×10−3 m2/sq = 1.5 \times 10^{-3}\,\mathrm{m}^{2}/\mathrm{s}, Γ=3×10−2 m2/s\Gamma = 3 \times 10^{-2}\,\mathrm{m}^{2}/\mathrm{s}, r0=0.5 mr_0 = 0.5\,\mathrm{m}, a=2 cma = 2\,\mathrm{cm}.

Oplossing

Oplossing van Oefening 2.12.

(a) div⁡v→=1r∂r(−q/2π)=0\operatorname{div}\vect v = \frac1r\partial_r(-q/2\pi) = 0; ωz=1r∂r(Γ/2π)=0\omega_z = \frac1r\partial_r(\Gamma/2\pi) = 0. (b)  ⁣dr/vr=r  ⁣dθ/vθ\dd r/v_r = r\,\dd\theta/v_\theta geeft  ⁣dr/r=−(q/Γ) ⁣dθ\dd r/r = -(q/\Gamma)\dd\theta. (c) ar=vr∂rvr−vθ2/r=−(q2+Γ2)/4π2r3=−v2/ra_r = v_r\partial_rv_r - v_\theta^2/r = -(q^2 + \Gamma^2)/4\pi^2r^3 = -v^2/r; aθ=vr∂rvθ+vrvθ/r=0a_\theta = v_r\partial_rv_\theta + v_rv_\theta/r = 0. (d)  ⁣dr/ ⁣dt=−q/2πr\dd r/\dd t = -q/2\pi r: t=π(r02−a2)/qt = \pi(r_0^2 - a^2)/q; aantal omwentelingen =(Γ/2πq)ln⁡(r0/a)= (\Gamma/2\pi q)\ln(r_0/a). (e) t=520 s≈9 mint = 520\,\mathrm{s} \approx 9\,\mathrm{min}; 1010 omwentelingen.

2.6 Vraagstuk: Van het afvoerputje tot de orkaan

Probleem 2.1

Weekendvraagstuk — dezelfde kinematica op drie schalen: de draaikolk boven een afvoer, een tornado, en een cycloon vanuit een satelliet gezien

Deel I — Het bad. Een bad loopt leeg door een gat met straal a=2 cma = 2\,\mathrm{cm}; het water, met diepte h=20 cmh = 20\,\mathrm{cm}, vertrekt met het volumedebiet DV=0.30 L/sD_V = 0.30\,\mathrm{L}/\mathrm{s}. Weg van het gat wordt de stroming als vlak gemodelleerd (onafhankelijk van de diepte): v→=vr(r)e→r+vθ(r)e→θ\vect v = v_r(r)\vect e_r + v_\theta(r)\vect e_\theta.

  1. Toon met behoud van massa door een cilinder met straal rr en hoogte hh aan dat vr=−q/2πrv_r = -q/2\pi r met q=DV/hq = D_V/h; waarde van qq.
  2. Voordat de stop eruit ging, was het water geroerd en draaide het met 1.0 cm/s1.0\,\mathrm{cm}/\mathrm{s} op r=50 cmr = 50\,\mathrm{cm}. Aannemend dat elke waterring zijn impulsmoment behoudt terwijl hij naar binnen trekt (rvθrv_\theta constant), bepaal vθ(r)v_\theta(r) en de circulatie Γ\Gamma.
  3. Ga na dat de stroming onsamendrukbaar en rotatievrij is voor r>ar > a.
  4. Stroomlijnen: toon aan dat het logaritmische spiralen zijn en bepaal hoeveel omwentelingen een deeltje maakt tussen r=50 cmr = 50\,\mathrm{cm} en r=ar = a.
  5. Tijd waarin een deeltje van 50 cm50\,\mathrm{cm} tot het gat gaat, en zijn azimutale snelheid bij aankomst.
  6. Versnelling van een deeltje in rr; vergelijk met gg voor r=ar = a. (Het vrije oppervlak zakt in waar de druk daarmee in evenwicht moet zijn — de trechter; volgend hoofdstuk.)
  7. De draaiing van de aarde geeft elk fluïdum dat in het bad in rust is een “achtergrondrotatie” met de plaatselijke verticale snelheid Ω⊕sin⁡λ≈5×10−5 rad/s\Omega_\oplus\sin\lambda \approx 5 \times 10^{-5}\,\mathrm{rad}/\mathrm{s}. Vergelijk de azimutale snelheid die zij op 50 cm50\,\mathrm{cm} zou geven met de 1 cm/s1\,\mathrm{cm}/\mathrm{s} van het roeren, en zeg of het halfrond de draairichting van een leeglopend bad bepaalt.

Deel II — De tornado als wervel van Rankine. Kernstraal a=60 ma = 60\,\mathrm{m}, maximale wind vmax⁡=80 m/sv_{\max} = 80\,\mathrm{m}/\mathrm{s}, luchtdichtheid ρ=1.2 kg/m3\rho = 1.2\,\mathrm{kg}/\mathrm{m}^{3}.

  1. Schrijf vθ(r)v_\theta(r) in beide gebieden op en geef Ω\Omega en Γ\Gamma.
  2. Vorticiteit in de kern en daarbuiten; schets vθv_\theta en ωz\omega_z tegen rr.
  3. Versnelling van een luchtdeeltje aan de rand van de kern; vergelijk met gg.
  4. Toon aan dat een klein schoepenrad buiten de kern om de tornado heen drijft zonder om zijn eigen as te draaien, terwijl een schoepenrad in de kern één keer per omloop om de as draait.
  5. Kinetische energie van de kern, per meter hoogte.
  6. Kinetische energie van de stroming daarbuiten per meter hoogte, tussen aa en R=5 kmR = 5\,\mathrm{km}; waarom hangt zij alleen logaritmisch van RR af?
  7. Totale kinetische energie bij een hoogte van 1 km1\,\mathrm{km}; vergelijk met de energie die 1 t1\,\mathrm{t} TNT vrijmaakt (4.2 GJ4.2\,\mathrm{GJ}).
  8. In een tornado stroomt de lucht ook naar binnen en naar boven. Wordt de kern over de eerste 300 m300\,\mathrm{m} hoogte door een radiale instroom van 5 m/s5\,\mathrm{m}/\mathrm{s} door haar zijoppervlak gevoed, welke verticale snelheid moet de lucht dan boven aan die laag bereiken (uniform over de doorsnede van de kern)?

Deel III — De cycloon. Een tropische cycloon wordt gemodelleerd als een wervel van Rankine met kernstraal a=40 kma = 40\,\mathrm{km} en vmax⁡=50 m/sv_{\max} = 50\,\mathrm{m}/\mathrm{s}. De draaiing van de aarde laat zich voelen via de planetaire vorticiteit f=2Ω⊕sin⁡λ≈5×10−5 s−1f = 2\Omega_\oplus\sin\lambda \approx 5 \times 10^{-5}\,\mathrm{s}^{-1} op breedtegraad 20∘20{}^{\circ}: een luchtring die ten opzichte van de grond in rust is, draagt in het inertiaalstelsel al de azimutale snelheid fr/2fr/2 om elke verticale as.

  1. Vorticiteit van de kern en circulatie Γ\Gamma van de cycloon; vergelijk de vorticiteit van de kern met ff.
  2. Een luchtring met straal r0=500 kmr_0 = 500\,\mathrm{km}, aanvankelijk in rust ten opzichte van de grond, wordt door de lage druk naar het middelpunt getrokken. Aannemend dat zijn impulsmoment per massa-eenheid om de as, r(vθ+fr/2)r(v_\theta + fr/2), behouden blijft, bepaal zijn snelheid vθv_\theta ten opzichte van de grond op r=100 kmr = 100\,\mathrm{km} en op r=40 kmr = 40\,\mathrm{km}.
  3. In welke zin draait de cycloon op het noordelijk halfrond, en waarom? Waarom ligt die zin voor een cycloon vast en voor een bad niet?
  4. Waarom kan de lucht op deze manier niet helemaal tot de as worden getrokken — wat begrenst de wind en laat een oog achter?
  5. De lucht convergeert met 5 m/s5\,\mathrm{m}/\mathrm{s} naar de cycloon door een cilinder met straal 500 km500\,\mathrm{km} en hoogte 1 km1\,\mathrm{km}: naar binnen getrokken massadebiet (ρ=1.2 kg/m3\rho = 1.2\,\mathrm{kg}/\mathrm{m}^{3}).
  6. De cycloon verplaatst zich als geheel westwaarts met 6 m/s6\,\mathrm{m}/\mathrm{s}. Schrijf het euleriaanse snelheidsveld zoals het vanaf de grond wordt gezien in termen van het veld v→0\vect v_0 van de wervel in haar eigen stelsel; is de stroming stationair in het stelsel van de grond? Aan welke kant van de storm waait het harder?

Deel IV — Debieten en een overzicht.

  1. Er valt 50 mm/h50\,\mathrm{mm}/\mathrm{h} regen op een stroomgebied van 10 km210\,\mathrm{km}^{2} en alles bereikt een rivier met doorsnede 40 m240\,\mathrm{m}^{2}: gemiddelde snelheid van de rivier bij hoogwater.
  2. Bloed: de aorta (2.5 cm22.5\,\mathrm{cm}^{2}) voert 5.0 L/min5.0\,\mathrm{L}/\mathrm{min}; de haarvaten hebben een totale doorsnede van 0.25 m20.25\,\mathrm{m}^{2}: snelheden in elk; tijd waarin bloed een haarvat van 1 mm1\,\mathrm{mm} doorloopt.
  3. Een vat met doorsnede SS loopt leeg door een gat met doorsnede ss in de bodem; de uitstroomsnelheid is 2gh\sqrt{2gh} (hh het waterpeil — hier aangenomen, in het volgende hoofdstuk afgeleid). Schrijf het behoud van massa op en bepaal h(t)h(t) en de leeglooptijd voor S=1 m2S = 1\,\mathrm{m}^{2}, s=1 cm2s = 1\,\mathrm{cm}^{2}, h0=1 mh_0 = 1\,\mathrm{m}.
  4. Geef de drie stromingen van de delen I–III in één tabel: straal, snelheid, vorticiteit van de kern, circulatie — en de grootheid die tijdens de instroom behouden blijft en hen doet opdraaien.
Oplossing

Oplossing van Probleem 2.1.

1. Door een cilinder met straal rr: 2πrh∣vr∣=DV2\pi rh|v_r| = D_V, dus vr=−q/2πrv_r = -q/2\pi r, q=DV/h=1.5×10−3 m2/sq = D_V/h = 1.5 \times 10^{-3}\,\mathrm{m}^{2}/\mathrm{s}.

2. rvθ=0.5×0.01=5×10−3 m2/srv_\theta = 0.5 \times 0.01 = 5 \times 10^{-3}\,\mathrm{m}^{2}/\mathrm{s}: vθ=Γ/2πrv_\theta = \Gamma/2\pi r met Γ=3.1×10−2 m2/s\Gamma = 3.1 \times 10^{-2}\,\mathrm{m}^{2}/\mathrm{s}.

3. div⁡v→=1r∂r(rvr)=0\operatorname{div}\vect v = \frac1r\partial_r(rv_r) = 0, ωz=1r∂r(rvθ)=0\omega_z = \frac1r\partial_r(rv_\theta) = 0.

4.  ⁣dr/r=−(q/Γ) ⁣dθ\dd r/r = -(q/\Gamma)\dd\theta: r=r0e−qθ/Γr = r_0\eu^{-q\theta/\Gamma}; aantal omwentelingen =(Γ/2πq)ln⁡(r0/a)=3.3×3.2≈11= (\Gamma/2\pi q)\ln(r_0/a) = 3.3 \times 3.2 \approx 11.

5. t=π(r02−a2)/q=520 s≈9 mint = \pi(r_0^2 - a^2)/q = 520\,\mathrm{s} \approx 9\,\mathrm{min}; vθ(a)=0.25 m/sv_\theta(a) = 0.25\,\mathrm{m}/\mathrm{s}.

6. a→=−(v2/r)e→r\vect a = -(v^2/r)\vect e_r; in r=ar = a: v2=0.252+0.0122v^2 = 0.25^2 + 0.012^2, a=3.1 m/s2≈0.3ga = 3.1\,\mathrm{m}/\mathrm{s}^{2} \approx 0.3g.

7. Ω⊕sin⁡λ r=5×10−5×0.5=2.5×10−5 m/s\Omega_\oplus\sin\lambda\,r = 5 \times 10^{-5} \times 0.5 = 2.5 \times 10^{-5}\,\mathrm{m}/\mathrm{s}, vierhonderd keer minder dan het roeren: in een gewoon bad beslist het halfrond niets (in een vat dat een dag stil heeft gestaan wel).

8. vθ=Ωrv_\theta = \Omega r (r<ar < a), Ωa2/r\Omega a^2/r (r>ar > a); Ω=80/60=1.33 rad/s\Omega = 80/60 = 1.33\,\mathrm{rad}/\mathrm{s}, Γ=2πavmax⁡=3.0×104 m2/s\Gamma = 2\pi av_{\max} = 3.0 \times 10^{4}\,\mathrm{m}^{2}/\mathrm{s}.

9. ωz=2Ω=2.7 s−1\omega_z = 2\Omega = 2.7\,\mathrm{s}^{-1} in de kern, 00 daarbuiten; vθv_\theta stijgt lineair tot 80 m/s80\,\mathrm{m}/\mathrm{s} en daalt dan als 1/r1/r; ωz\omega_z is een sprongfunctie.

10. a=vmax⁡2/a=6400/60=107 m/s2≈11ga = v_{\max}^2/a = 6400/60 = 107\,\mathrm{m}/\mathrm{s}^{2} \approx 11g, naar binnen gericht.

11. Buiten de kern is de vorticiteit nul: een klein element transleert langs zijn cirkel zonder om zichzelf te draaien — het schoepenrad houdt zijn richting. In de kern (rotatie als star lichaam) draait het met het fluïdum mee, één keer per omloop.

12. Ekern=∫0a12ρΩ2r2 2πr  ⁣dr=14πρΩ2a4=2.2×107 J/mE_{\text{kern}} = \int_0^a\tfrac12\rho\Omega^2r^2\,2\pi r\,\dd r = \tfrac14\pi\rho\Omega^2a^4 = 2.2 \times 10^{7}\,\mathrm{J}/\mathrm{m}.

13. Ebuiten=∫aR12ρ(Ωa2/r)2 2πr  ⁣dr=πρΩ2a4ln⁡(R/a)=8.7×107×4.4=3.8×108 J/mE_{\text{buiten}} = \int_a^R\tfrac12\rho(\Omega a^2/r)^2\,2\pi r\,\dd r = \pi\rho\Omega^2a^4\ln(R/a) = 8.7 \times 10^7 \times 4.4 = 3.8 \times 10^{8}\,\mathrm{J}/\mathrm{m}; de integrand ρv2r∝1/r\rho v^2r \propto 1/r, vandaar de logaritme.

14. 4.0×108 J/m×1000 m=4×1011 J4.0 \times 10^{8}\,\mathrm{J}/\mathrm{m} \times 1000\,\mathrm{m} = 4 \times 10^{11}\,\mathrm{J}: ongeveer 100 t100\,\mathrm{t} TNT.

15. Instroom 2πa×300×5=5.7×105 m3/s2\pi a \times 300 \times 5 = 5.7 \times 10^{5}\,\mathrm{m}^{3}/\mathrm{s} door πa2=1.1×104 m2\pi a^2 = 1.1 \times 10^{4}\,\mathrm{m}^{2}: vz=50 m/sv_z = 50\,\mathrm{m}/\mathrm{s}.

16. ω=2vmax⁡/a=2.5×10−3 s−1=50f\omega = 2v_{\max}/a = 2.5 \times 10^{-3}\,\mathrm{s}^{-1} = 50f; Γ=2πavmax⁡=1.3×107 m2/s\Gamma = 2\pi av_{\max} = 1.3 \times 10^{7}\,\mathrm{m}^{2}/\mathrm{s}.

17. r0⋅fr0/2=r(vθ+fr/2)r_0\cdot fr_0/2 = r(v_\theta + fr/2): vθ=f(r02−r2)/2rv_\theta = f(r_0^2 - r^2)/2r; 60 m/s60\,\mathrm{m}/\mathrm{s} op 100 km100\,\mathrm{km}, 155 m/s155\,\mathrm{m}/\mathrm{s} op 40 km40\,\mathrm{km}.

18. f>0f > 0 op het noordelijk halfrond geeft vθ>0v_\theta > 0: van bovenaf gezien tegen de klok in (cyclonaal). Over 500 km500\,\mathrm{km} is de planetaire rotatie de overheersende beginrotatie; in een bad is dat het roeren.

19. De wrijving met de zee onttrekt impulsmoment, en de drukgradiënt kan de centripetale versnelling van een steeds snellere ring niet meer opvangen: de lucht stijgt op voordat zij de as bereikt, in de oogwand, en laat een windstil oog achter.

20. ρ 2πrHv=1.2×2π×5×105×103×5=1.9×1010 kg/s\rho\,2\pi rHv = 1.2 \times 2\pi \times 5 \times 10^5 \times 10^3 \times 5 = 1.9 \times 10^{10}\,\mathrm{kg}/\mathrm{s}.

21. v→(M,t)=−Ue→x+v→0(M+Ut e→x)\vect v(M, t) = -U\vect e_x + \vect v_0(M + Ut\,\vect e_x): het patroon wordt meegevoerd, het veld is niet stationair in het stelsel van de grond. De translatie telt op bij de draaiing aan de kant waar vθv_\theta naar het westen wijst — de noordkant (rechterkant) van de westwaartse baan.

22. 0.05×107/3600=139 m3/s0.05 \times 10^7/3600 = 139\,\mathrm{m}^{3}/\mathrm{s}; v=139/40=3.5 m/sv = 139/40 = 3.5\,\mathrm{m}/\mathrm{s}.

23. DV=83 cm3/sD_V = 83\,\mathrm{cm}^{3}/\mathrm{s}: aorta 0.33 m/s0.33\,\mathrm{m}/\mathrm{s}; haarvaten 0.33 mm/s0.33\,\mathrm{mm}/\mathrm{s}; 3 s3\,\mathrm{s} per millimeter.

24. S  ⁣dh/ ⁣dt=−s2ghS\,\dd h/\dd t = -s\sqrt{2gh}: h=h0−sSg/2 t\sqrt h = \sqrt{h_0} - \frac sS\sqrt{g/2}\,t, leeg op T=(S/s)2h0/g=104×0.45=4500 s≈75 minT = (S/s)\sqrt{2h_0/g} = 10^4 \times 0.45 = 4500\,\mathrm{s} \approx 75\,\mathrm{min}.

25. Bad: r∼0.5 mr \sim 0.5\,\mathrm{m}, v∼1 cm/sv \sim 1\,\mathrm{cm}/\mathrm{s}, Γ=3×10−2 m2/s\Gamma = 3 \times 10^{-2}\,\mathrm{m}^{2}/\mathrm{s}; tornado: 60 m60\,\mathrm{m}, 80 m/s80\,\mathrm{m}/\mathrm{s}, ω=2.7 s−1\omega = 2.7\,\mathrm{s}^{-1}, Γ=3×104 m2/s\Gamma = 3 \times 10^{4}\,\mathrm{m}^{2}/\mathrm{s}; cycloon: 40 km40\,\mathrm{km}, 50 m/s50\,\mathrm{m}/\mathrm{s}, ω=2.5×10−3 s−1\omega = 2.5 \times 10^{-3}\,\mathrm{s}^{-1}, Γ=1.3×107 m2/s\Gamma = 1.3 \times 10^{7}\,\mathrm{m}^{2}/\mathrm{s}. In alle drie blijft het impulsmoment per massa-eenheid rvθrv_\theta van het samenstromende fluïdum behouden: de instroom brengt het op toeren.

Begrippen gedefinieerd in dit hoofdstuk

Bekijk alle 431 begrippen in de begrippenlijst