Physics · Boek 4 · Bachelor Year 2

Universitaire natuurkunde — jaar 2

Universitaire natuurkunde — jaar 2 · Bachelor Year 2

18Het scalaire model van het licht

Schijn met twee zaklampen op dezelfde muur en de vlek is eenvoudigweg twee keer zo helder; schijn er twee bundels van één laser op en de vlek valt uiteen in heldere en donkere strepen. De zaklampen tellen hun intensiteiten op, de laserbundels hun amplitudes — en elke interferometer, elk hologram en elk tralie van de komende hoofdstukken berust erop te weten wanneer licht wat doet. Dit hoofdstuk zet het gereedschap klaar: licht als een scalaire golf met een fase, de optische weglengte die die fase langs een straal meet, de manier waarop een bron uitzendt — in korte golftreinen waarvan de coherentielengte beslist of twee golven kunnen interfereren — en de manier waarop een detector het opneemt: een gemiddelde over miljarden perioden dat alleen de intensiteit overhoudt.

18.1 Licht als scalaire golf

Definitie 18.1 (Scalair model; monochromatische golf)

In het grootste deel van de golfoptica speelt het vectorkarakter van het licht geen rol (de gesuperponeerde golven delen één polarisatie, of het licht is ongepolariseerd en de polarisaties middelen weg): het veld wordt vervangen door een reële scalaire trilling

s(M,t)=a(M)cos(ωtφ(M)),s(M, t) = a(M)\cos\bigl(\omega t - \varphi(M)\bigr) ,

met een amplitude a(M)a(M) en een fase φ(M)\varphi(M) in elk punt, die beide op de schaal van een golflengte traag veranderen. Een monochromatische golf heeft één enkele ω\omega: een idealisatie, want een echte bron zendt over een band van frequenties uit. Zichtbaar licht: λ0\lambda_0 van 400400 tot 750nm750\,\mathrm{nm} in vacuüm, ν=c/λ0\nu = c/\lambda_0 van 7.5×10147.5 \times 10^{14} tot 4×10144 \times 10^{14} Hz, met perioden van ongeveer 2fs2\,\mathrm{fs}.

Definitie 18.2 (Optische weglengte en fase)

In een medium met brekingsindex nn loopt de golf met c/nc/n en is haar golflengte λ0/n\lambda_0/n. De optische weglengte langs een kromme van AA naar BB is

(AB)=ABn ⁣ds,(AB) = \int_A^Bn\,\dd s ,

en de fase die een monochromatische golf opbouwt terwijl zij langs een straal van AA naar BB loopt, is

φ(B)φ(A)=2πλ0(AB)=ωτAB,\varphi(B) - \varphi(A) = \frac{2\pi}{\lambda_0}\,(AB) = \omega\,\tau_{AB} ,

waarin τAB\tau_{AB} de looptijd is. Een golffront is een oppervlak van gelijke fase; in een isotroop medium staan de stralen van de meetkundige optica loodrecht op de golffronten (de stelling van Malus–Dupin), en is de optische weglengte tussen twee golffronten langs elke straal dezelfde.

Verantwoording. De fase loopt 2π2\pi op per plaatselijke golflengte λ0/n\lambda_0/n, dus met 2πn ⁣ds/λ02\pi n\,\dd s/\lambda_0 per element  ⁣ds\dd s; gesommeerd langs de straal. De golf acos(ωtφ)a\cos(\omega t - \varphi) is een oplossing van de golfvergelijking waarin de energie langs gradφ\operatorname{\vect{grad}}\varphi reist, loodrecht op de oppervlakken φ=\varphi = const: dat is de straal, en de uitspraak “de optische weglengte tussen twee golffronten is dezelfde” is de definitie van een golffront, achterstevoren gelezen. De volledige stelling (zij overleeft reflecties en brekingen) wordt aangenomen.

Voorbeeld 18.3 (Stigmatisme; de lens als faseplaat)

Een puntbron AA die door een volmaakt (stigmatisch) instrument in AA' wordt afgebeeld: alle stralen van AA naar AA' hebben dezelfde optische weglengte — de golven die langs elke straal aankomen zijn in AA' in fase, en daarom stapelen zij zich daar tot een helder punt op. Voor een dunne lens met brandpuntsafstand ff is dat een uitspraak over fase: een vlakke golf die langs de as aankomt, moet vertrekken als een bolgolf die naar het brandpunt FF' convergeert; omdat een bolgolf met middelpunt op afstand ff op afstand rr van de as de fase 2πr2/2λf2\pi r^2/2\lambda f vóór ligt op haar waarde op de as (paraxiale benadering, f2+r2f+r2/2f\sqrt{f^2 + r^2} \approx f + r^2/2f), moet de lens de golf vertragen met φL(r)=πr2/λf\varphi_L(r) = -\pi r^2/\lambda f: zij is in het midden precies zoveel dikker dat alle optische weglengten naar FF' gelijk worden. Een lens is een faseplaat; een hologram of een vloeibaarkristalscherm dat dezelfde fasekaart oplegt, is een lens.

Links: een dunne lens maakt van vlakke golffronten bolvormige die op het brandpunt convergeren — alle optische weglengten naar F' zijn gelijk. Rechts: in glas krimpt de golflengte tot _0/n en loopt de fase sneller op: de optische weglengte telt de meetkundige lengte n keer.
Links: een dunne lens maakt van vlakke golffronten bolvormige die op het brandpunt convergeren — alle optische weglengten naar FF' zijn gelijk. Rechts: in glas krimpt de golflengte tot λ0/n\lambda_0/n en loopt de fase sneller op: de optische weglengte telt de meetkundige lengte nn keer.

18.2 Hoe licht wordt uitgezonden: coherentie

Propositie 18.4 (Golftreinen; coherentietijd en coherentielengte)

Een klassieke bron (een vlam, een lamp, een ster) is een verzameling atomen die elk op willekeurige ogenblikken en met willekeurige fasen korte golftreinen met duur τc\tau_c uitzenden: de trilling die zij in een punt voortbrengt, houdt haar fase alleen over τc\tau_c vast en springt dan. Een trein met duur τc\tau_c is niet monochromatisch: zijn spectrum beslaat een frequentieband Δν1/τc\Delta\nu \approx 1/\tau_c (een wederkerigheid van Fourier, aangenomen: een eindige sinus kan geen enkele frequentie hebben). De coherentietijd τc\tau_c en de coherentielengte

c=cτccΔν=λ2Δλ\ell_c = c\,\tau_c \approx \frac c{\Delta\nu} = \frac{\lambda^2}{\Delta\lambda}

kenmerken de bron: wit licht Δλ300nm\Delta\lambda \approx 300\,\mathrm{nm}, c1µm\ell_c \approx 1\,\text{µ}\mathrm{m}; een spectraallamp (Δλ0.01nm\Delta\lambda \sim 0.01\,\mathrm{nm}), c3cm\ell_c \sim 3\,\mathrm{cm}; een laser, meters tot kilometers. Twee golven die van dezelfde bron komen, kunnen alleen interfereren als hun wegverschil kleiner is dan c\ell_c — daarboven horen zij bij verschillende treinen, met fasen die niets met elkaar te maken hebben.

Bewijs. c=c/Δν\ell_c = c/\Delta\nu en Δν/ν=Δλ/λ|\Delta\nu/\nu| = |\Delta\lambda/\lambda| met ν=c/λ\nu = c/\lambda geven c=λ2/Δλ\ell_c = \lambda^2/\Delta\lambda. De spectrale breedte zelf heeft fysische oorzaken: de natuurlijke breedte (stralingsdemping, Hoofdstuk 17), de dopplerverbreding door de thermische beweging van de atomen, en botsingen — elk maakt de trein korter.

De trilling van een klassieke bron: een opeenvolging van golftreinen met duur _c, met willekeurige fasesprongen ertussen; twee kopieën ervan kunnen alleen interfereren als hun vertraging korter is dan _c.
De trilling van een klassieke bron: een opeenvolging van golftreinen met duur τc\tau_c, met willekeurige fasesprongen ertussen; twee kopieën ervan kunnen alleen interfereren als hun vertraging korter is dan τc\tau_c.

Opmerking 18.5 (Twee bronnen, één bron)

Twee verschillende lampen (of twee verschillende atomen) zenden treinen uit met onafhankelijke willekeurige fasen: hun onderlinge fase verandert om de τc1×109s\tau_c \sim 1 \times 10^{-9}\,\mathrm{s}, een miljoen keer sneller dan enig oog of enige camera reageert — de interferentieterm middelt naar nul en de intensiteiten tellen op. Interferentie vraagt twee golven die dezelfde fasesprongen onthouden: twee kopieën van één golf, verkregen door haar te splitsen (twee spleten, twee spiegels, de twee vlakken van een laagje) en met een vertraging korter dan τc\tau_c weer samen te voegen. Een laser, waarvan de treinen microseconden of langer duren, verzacht die beperking enorm; opheffen doet hij haar nooit.

18.3 Detectoren en intensiteit

Propositie 18.6 (Wat een detector meet)

Elke lichtdetector — het oog (reactietijd 0.1s\sim0.1\,\mathrm{s}), een fotografische film, een ccd-pixel (1ms1\,\mathrm{ms}), een fotodiode (1ns1\,\mathrm{ns}) — reageert over een tijd die lang is vergeleken met de periode (101510^{-15} s) en levert de intensiteit, het tijdgemiddelde van het kwadraat van de trilling,

I=Ks2=12Ka2,I = K\,\langle s^2\rangle = \tfrac12K\,a^2 ,

(KK een constante, die vaak wordt weggelaten; II is evenredig met de bestralingssterkte in W/m2\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2}). Het absolute niveau doet er maar in één opzicht toe: licht komt in fotonen met energie hνh\nu aan, en een detector telt gemiddeld I/hνI/h\nu fotonen per oppervlakte- en tijdseenheid.

Bewijs. cos2(ωtφ)=12\langle\cos^2(\omega t - \varphi)\rangle = \tfrac12 over elk interval dat veel langer is dan 2π/ω2\pi/\omega. Fotonen: het laatste hoofdstuk van het volume van jaar 1; hier ontmoet de scalaire golf het kwantum.

Voorbeeld 18.7 (Ordegrootten)

Een lamp van 60W60\,\mathrm{W} die 3W3\,\mathrm{W} zichtbaar licht uitstraalt, op 2m2\,\mathrm{m}: I=3/4π4=60mW/m2I = 3/4\pi\cdot4 = 60\,\mathrm{mW}/\mathrm{m}^{2}, I/hν=1.6×1017I/h\nu = 1.6 \times 10^{17} fotonen per vierkante meter en per seconde, 3×10123 \times 10^{12} per seconde door een pupil van 5mm5\,\mathrm{mm} — in de 0.1s0.1\,\mathrm{s} van het oog is er geen spoor van korreligheid. De zwakste ster die het oog ziet, stuurt 103\sim 10^3 fotonen per seconde de pupil in; een staafje vuurt al bij een handvol. Zonlicht: 1kW/m21\,\mathrm{kW}/\mathrm{m}^{2}, 3×10213 \times 10^{21} fotonen per vierkante meter en per seconde.

Tijdschalen van de optica: de periode van de trilling, de duur van de golftreinen van klassieke en van laserbronnen, en de reactietijden van detectoren — alle detectoren middelen over vele perioden, en over vele treinen van een lamp.
Tijdschalen van de optica: de periode van de trilling, de duur van de golftreinen van klassieke en van laserbronnen, en de reactietijden van detectoren — alle detectoren middelen over vele perioden, en over vele treinen van een lamp.

Opmerking 18.8 (Coherente en incoherente superpositie)

Twee trillingen a1cos(ωtφ1)a_1\cos(\omega t - \varphi_1) en a2cos(ωtφ2)a_2\cos(\omega t - \varphi_2) in een punt geven s=s1+s2s = s_1 + s_2 en

I=12K[a12+a22+2a1a2cos(φ1φ2)].I = \tfrac12K\bigl[a_1^2 + a_2^2 + 2a_1a_2\langle\cos(\varphi_1 - \varphi_2)\rangle\bigr] .

Is het faseverschil tijdens de detectie stabiel (coherente golven), dan is I=I1+I2+2I1I2cos(φ1φ2)I = I_1 + I_2 + 2\sqrt{I_1I_2}\cos(\varphi_1 - \varphi_2), met de interferentieterm die het volgende hoofdstuk bestudeert. Dwaalt het willekeurig rond (incoherente golven), dan is cos=0\langle\cos\rangle = 0 en I=I1+I2I = I_1 + I_2 — de zaklampen.

Methode 18.9 (Een vraagstuk in de optica opzetten)

(1) Schrijf elke golf als acos(ωtφ)a\cos(\omega t - \varphi) met φ=2π(optische weglengte)/λ0\varphi = 2\pi(\text{optische weglengte})/\lambda_0 vanaf de bron (of vanaf een gemeenschappelijk golffront). (2) Beslis over de coherentie: dezelfde bron, wegverschil <c< \ell_c? Tel dan de amplitudes op (de complexe notatie is handig: s=aei(ωtφ)\underline s = a\eu^{\iu(\omega t - \varphi)}, I=12Ks2I = \tfrac12K|\underline s|^2); anders tel de intensiteiten op. (3) Gebruik voor lenzen en spiegels gelijke optische weglengten tussen toegevoegde punten, of het beeld van de faseplaat. (4) Zet om naar wat wordt gemeten: intensiteit, contrast, fotonentellingen, en toets de resolutie van de detector in tijd en ruimte.

18.4 Oefeningen

Oefening 18.1

Een bundel van 600nm600\,\mathrm{nm} doorkruist 1.0cm1.0\,\mathrm{cm} glas (n=1.5n = 1.5). Optische weglengte; aantal golflengten erin; extra fase en extra vertraging vergeleken met 1cm1\,\mathrm{cm} lucht; dikte glas die de golf ten opzichte van lucht precies één golflengte vertraagt.

Oplossing

Oplossing van Oefening 18.1.

(AB)=1.5cm(AB) = 1.5\,\mathrm{cm}; 2500025\,000 golflengten; 0.5cm0.5\,\mathrm{cm} meer dan lucht, 83008300 golflengten, Δφ=2π×8300\Delta\varphi = 2\pi \times 8300, vertraging 17ps17\,\mathrm{ps}; één golflengte vertraging voor e=λ/(n1)=1.2µme = \lambda/(n - 1) = 1.2\,\text{µ}\mathrm{m}.

Oefening 18.2

Coherentietijd en -lengte van: wit licht (400400750nm750\,\mathrm{nm}); een natriumlijn met breedte 0.02nm0.02\,\mathrm{nm} bij 589nm589\,\mathrm{nm}; een rode led (630nm630\,\mathrm{nm}, Δλ=25nm\Delta\lambda = 25\,\mathrm{nm}); een multimodige laserdiode (Δν=100GHz\Delta\nu = 100\,\mathrm{GHz}); een gestabiliseerde laser (Δν=1kHz\Delta\nu = 1\,\mathrm{kHz}). Welke zouden strepen kunnen geven bij een wegverschil van 1mm1\,\mathrm{mm}? En van 10m10\,\mathrm{m}?

Oplossing

Oplossing van Oefening 18.2.

c=λ2/Δλ\ell_c = \lambda^2/\Delta\lambda of c/Δνc/\Delta\nu, τc=c/c\tau_c = \ell_c/c: wit 0.9µm0.9\,\text{µ}\mathrm{m} (3fs3\,\mathrm{fs}); natrium 1.7cm1.7\,\mathrm{cm} (60ps60\,\mathrm{ps}); led 16µm16\,\text{µ}\mathrm{m} (50fs50\,\mathrm{fs}); diode 3mm3\,\mathrm{mm} (10ps10\,\mathrm{ps}); gestabiliseerd 300km300\,\mathrm{km} (1ms1\,\mathrm{ms}). Bij 1mm1\,\mathrm{mm}: de natriumlamp, de diode en de laser; bij 10m10\,\mathrm{m}: alleen de gestabiliseerde laser.

Oefening 18.3

Een laserpen van 1mW1\,\mathrm{mW} bij 650nm650\,\mathrm{nm}: fotonen per seconde; een lamp van 100W100\,\mathrm{W} (5W5\,\mathrm{W} zichtbaar, gemiddeld 550nm550\,\mathrm{nm}) op 3m3\,\mathrm{m}: fotonen per seconde door een pupil van 6mm6\,\mathrm{mm}; aantal tijdens de 0.1s0.1\,\mathrm{s} van het oog; relatieve schommeling 1/N1/\sqrt N van dat aantal — is het licht korrelig?

Oplossing

Oplossing van Oefening 18.3.

103/3.06×1019=3.3×101510^{-3}/3.06 \times 10^{-19} = 3.3 \times 10^{15}\, per seconde. Lamp: I=5/4π×9=44mW/m2I = 5/4\pi \times 9 = 44\,\mathrm{mW}/\mathrm{m}^{2}, pupil 28mm228\,\mathrm{mm}^{2}: 1.2µW1.2\,\text{µ}\mathrm{W}, 3.5×10123.5 \times 10^{12} fotonen per seconde, 3.5×10113.5 \times 10^{11} in 0.1s0.1\,\mathrm{s}, schommeling 2×1062 \times 10^{-6}: volkomen glad.

Oefening 18.4

Een puntbron op 1.0m1.0\,\mathrm{m} van een scherm, λ=500nm\lambda = 500\,\mathrm{nm}. Verschil in optische weglengte tussen het midden van het scherm en een punt 1cm1\,\mathrm{cm} uit de as (eerst exact, dan met de paraxiale formule r2/2dr^2/2d); aantal golflengten; kromtestraal van het golffront bij het scherm; op welke afstand uit de as wijkt de paraxiale formule één golflengte af?

Oplossing

Oplossing van Oefening 18.4.

Exact 1+1041=49.9988µm\sqrt{1 + 10^{-4}} - 1 = 49.9988\,\text{µ}\mathrm{m}, paraxiaal 50µm50\,\text{µ}\mathrm{m}: honderd golflengten; het golffront is een bol met straal 1m1\,\mathrm{m}; de vierdegraadsterm r4/8d3r^4/8d^3 bereikt λ\lambda bij r=(8λd3)1/4=4.5cmr = (8\lambda d^3)^{1/4} = 4.5\,\mathrm{cm}.

Oefening 18.5 ★★

De lens als faseplaat. (a) Een vlakke golf langs de as heeft een uniforme fase op het vlak van een dunne lens; na de lens is de fase φL(r)=πr2/λf\varphi_L(r) = -\pi r^2/\lambda f ten opzichte van het midden. Toon aan dat het uittredende golffront in de paraxiale benadering een bol met straal ff is met middelpunt FF'. (b) Een puntbron op afstand dd vóór de lens stuurt een golf waarvan de fase op het lensvlak +πr2/λd+\pi r^2/\lambda d is (ten opzichte van het midden): toon aan dat de golf na de lens convergeert op dd' met 1/d=1/f1/d1/d' = 1/f - 1/d, de lenzenformule. (c) Dikteprofiel van een plan-convexe glazen lens (n=1.5n = 1.5) met brandpuntsafstand 10cm10\,\mathrm{cm}: e(r)=e0r2/2(n1)fe(r) = e_0 - r^2/2(n - 1)f; pijlhoogte bij r=1cmr = 1\,\mathrm{cm}. (d) Een “fresnellens” vouwt het profiel terug telkens wanneer het λ/(n1)\lambda/(n - 1) overschrijdt: waarom bundelt zij toch, en waarom maar één kleur volmaakt?

Oplossing

Oplossing van Oefening 18.5.

(a) Een bol met straal ff en middelpunt FF' heeft op het lensvlak de fase πr2/λf-\pi r^2/\lambda f ten opzichte van de as (paraxiaal): precies die van de lens. (b) Totale fase πr2/λ(1/d1/f)=πr2/λd\pi r^2/\lambda\,(1/d - 1/f) = -\pi r^2/\lambda d': een golf die convergeert op dd' met 1/d=1/f1/d1/d' = 1/f - 1/d. (c) Het glas voegt (n1)e(r)×2π/λ(n - 1)e(r) \times2\pi/\lambda toe: e(r)=e0r2/2(n1)fe(r) = e_0 - r^2/2(n - 1)f; pijlhoogte 104/0.1=1mm10^{-4}/0.1 = 1\,\mathrm{mm}. (d) Een fase die modulo 2π2\pi is gedefinieerd, is dezelfde fase — bij de ontwerpgolflengte; bij andere zijn de trappen geen hele golflengten meer.

Oefening 18.6 ★★

Stigmatisme van een spiegel. Een spiegel moet een vlakke golf die langs zijn as aankomt naar een punt FF sturen. (a) Schrijf de voorwaarde “gelijke optische weglengten van een vlak golffront naar FF voor elk punt van de spiegel” op en toon aan dat zij een parabool y2=4fxy^2 = 4fx definieert met FF in haar brandpunt. (b) Waarom is een bolspiegel maar bij benadering stigmatisch (vergelijk y2=4fxy^2 = 4fx met de cirkel met straal 2f2f nabij de top)? (c) Voor een spiegel van 20cm20\,\mathrm{cm} met f=1mf = 1\,\mathrm{m}: de wegfout van de bol aan de rand, in golflengten van 500nm500\,\mathrm{nm}. (d) Waarom verdragen radiotelescopen een bolvorm die optische niet kunnen verdragen?

Oplossing

Oplossing van Oefening 18.6.

(a) Van een vlak golffront in x=Dx = -D naar (x,y)(x, y) en dan naar F(f,0)F(f, 0): D+x+(xf)2+y2=D+fD + x + \sqrt{(x - f)^2 + y^2} = D + f, dus (xf)2+y2=fx\sqrt{(x - f)^2 + y^2} = f - x, y2=4fxy^2 = 4fx, met FF in het brandpunt. (b) De cirkel x=2f4f2y2y2/4f+y4/64f3x = 2f - \sqrt{4f^2 - y^2} \approx y^2/4f + y^4/64f^3 stemt maar tot tweede orde overeen. (c) y4/64f3=1.6µmy^4/64f^3 = 1.6\,\text{µ}\mathrm{m}, verdubbeld door de weerkaatsing: 3µm3\,\text{µ}\mathrm{m}, zes golflengten — vandaar parabolische spiegels. (d) Bij λ1cm\lambda \sim 1\,\mathrm{cm} is diezelfde fout een duizendste golflengte.

Oefening 18.7 ★★

Fermat. De optische weglengte van AA (in medium n1n_1) naar BB (in n2n_2) via een punt PP van het vlakke grensvlak is n1AP+n2PBn_1AP + n_2PB. (a) Toon aan dat zij stationair (minimaal) is voor het punt PP dat aan n1sinθ1=n2sinθ2n_1\sin\theta_1 = n_2\sin\theta_2 voldoet. (b) Duid dat: naburige wegen hebben dezelfde fase, zodat de golven erlangs optellen — daarom “kiest” het licht de straal van Descartes. (c) Leid de wet van weerkaatsing op dezelfde manier af. (d) Waarom is de weg door een lens van AA naar zijn beeld AA' langs elke straal dezelfde, en niet slechts stationair?

Oplossing

Oplossing van Oefening 18.7.

(a) L(x)=n1a2+x2+n2b2+(dx)2L(x) = n_1\sqrt{a^2 + x^2} + n_2\sqrt{b^2 + (d - x)^2}: L=n1sinθ1n2sinθ2=0L' = n_1\sin\theta_1 - n_2\sin\theta_2 = 0. (b) Nabij de stationaire weg hebben naburige wegen gelijke fasen en tellen hun golven op; elders heffen zij elkaar op. (c) n1=n2n_1 = n_2: sinθ1=sinθr\sin\theta_1 = \sin\theta_r. (d) Stigmatisme betekent dat alle stralen van AA naar AA' gelijke weglengten hebben: een hele familie stationaire wegen, niet één.

Oefening 18.8 ★★

Waarom twee lampen niet interfereren. Twee natriumlampen verlichten een scherm; in een punt hebben hun golven de amplitudes aa en een onderlinge fase Δφ\Delta\varphi die om de τc=1×1010s\tau_c = 1 \times 10^{-10}\,\mathrm{s} willekeurig springt. (a) Intensiteit in dat punt als functie van Δφ\Delta\varphi; haar maximum en minimum. (b) De detector middelt over τd=1ms\tau_d = 1\,\mathrm{ms}: hoeveel onafhankelijke waarden van Δφ\Delta\varphi? Gemiddelde intensiteit; relatieve grootte van de restschommeling van de interferentieterm (1/N\sim 1/\sqrt N). (c) Een fotodiode met τd=1×1011s\tau_d = 1 \times 10^{-11}\,\mathrm{s}: wat zou die zien? (d) Hoe lukte het het eerste experiment dat interferentie tussen twee onafhankelijke lasers aantoonde (1963)?

Oplossing

Oplossing van Oefening 18.8.

(a) I=2I0(1+cosΔφ)I = 2I_0(1 + \cos\Delta\varphi): 4I04I_0 en 00. (b) N=107N = 10^7: gemiddeld 2I02I_0, met een rest van 2I0/N=6×104\sim 2I_0/\sqrt N = 6 \times 10^{-4} daarvan. (c) Gedurende 10ps10\,\mathrm{ps} ligt de fase vast: zij zou strepen zien die om de 0.1ns0.1\,\mathrm{ns} verspringen. (d) Lasers met τc1µs\tau_c \sim 1\,\text{µ}\mathrm{s} en een detector die sneller is dan dat: de strepen bestonden een microseconde lang en werden gefotografeerd.

Oefening 18.9 ★★

Schijnbare diepte. Een muntje ligt op diepte hh in water (n=1.33n = 1.33). (a) Toon met de optische weglengte (of met de wet van Descartes bij kleine hoeken) aan dat een oog erboven het op diepte h/nh/n ziet. (b) h=1.2mh = 1.2\,\mathrm{m}: schijnbare diepte; met hoeveel overtreft de optische weglengte van het muntje naar het oog haar meetkundige lengte? (c) Op welke schijnbare hoogte ziet een vis op diepte hh een vlieg 1m1\,\mathrm{m} boven het oppervlak? (d) Waarom lijkt een zwembad nog ondieper wanneer men er schuin in kijkt?

Oplossing

Oplossing van Oefening 18.9.

(a) Bij kleine hoeken is tanintanr\tan i \approx n\tan r, zodat de stralen uit h/nh/n lijken te komen. (b) 0.90m0.90\,\mathrm{m}; de optische weglengte is n×1.2=1.6mn \times 1.2 = 1.6\,\mathrm{m}, 0.4m0.4\,\mathrm{m} meer. (c) n×1=1.33mn \times 1 = 1.33\,\mathrm{m}. (d) Bij grote hoeken is de breking sterker en de schijnbare diepte kleiner.

Oefening 18.10 ★★★

Contrast en coherentie. Twee kopieën van een golf met een wegverschil δ\delta worden gesuperponeerd; het spectrum van de bron is gelijkmatig over [ν0Δν/2,ν0+Δν/2][\nu_0 - \Delta\nu/2, \nu_0 + \Delta\nu/2] gespreid, en elke frequentie interfereert alleen met zichzelf. (a) Intensiteit van één frequentie: 2I0[1+cos(2πνδ/c)]2I_0 [1 + \cos(2\pi\nu\delta/c)]. (b) Integreer over de band en toon aan dat het totaal 2I0[1+sinc(πΔνδ/c)cos(2πν0δ/c)]2I_0[1 + \operatorname{sinc}(\pi\Delta\nu\,\delta/c)\cos(2\pi\nu_0\delta/c)] is, met sincx=sinx/x\operatorname{sinc}x = \sin x/x. (c) Definieer het contrast V=(ImaxImin)/(Imax+Imin)V = (I_{\max} - I_{\min})/(I_{\max} + I_{\min}) van de strepen nabij δ\delta en toon aan dat V=sinc(πΔνδ/c)V = |\operatorname{sinc}(\pi\Delta\nu\,\delta/c)|: het verdwijnt bij δ=c/Δν=c\delta = c/\Delta\nu = \ell_c. (d) Getallen voor een led (Δλ=25nm\Delta\lambda = 25\,\mathrm{nm} bij 630nm630\,\mathrm{nm}): de δ\delta waarbij het contrast voor het eerst verdwijnt.

Oplossing

Oplossing van Oefening 18.10.

(a) Twee gelijke golven met faseverschil 2πνδ/c2\pi\nu\delta/c. (b) Middel over de band:

1Δνcos2πνδc ⁣dν=cos2πν0δcsincπΔνδc.\frac1{\Delta\nu}\int\cos\frac{2\pi\nu\delta}c\,\dd\nu = \cos\frac{2\pi\nu_0\delta}c\,\operatorname{sinc}\frac{\pi\Delta\nu\,\delta}c .

(c) Imax,min=2I0(1±sinc)I_{\max, \min} = 2I_0(1 \pm |\operatorname{sinc}|): V=sinc(πΔνδ/c)V = |\operatorname{sinc}(\pi\Delta\nu\delta/c)|, nul bij δ=c/Δν\delta = c/\Delta\nu. (d) Δν=cΔλ/λ2=1.9×1013Hz\Delta\nu = c\Delta\lambda/\lambda^2 = 1.9 \times 10^{13}\,\mathrm{Hz}: δ=16µm\delta = 16\,\text{µ}\mathrm{m}.

Oefening 18.11 ★★★

Sterren zien. Het oog bespeurt een flits wanneer er ongeveer 1010 fotonen binnen 0.1s0.1\,\mathrm{s} één staafje bereiken; de aan het donker aangepaste pupil is 7mm7\,\mathrm{mm}; neem 500nm500\,\mathrm{nm}. (a) Minimale fotonenflux en bestralingssterkte bij het oog. (b) De zon geeft 1kW/m21\,\mathrm{kW}/\mathrm{m}^{2}; een ster met magnitude mm geeft daarvan 100.4(m+26.7)10^{-0.4(m + 26.7)}: bestralingssterkte van een ster van magnitude 6 (de grens voor het blote oog) en het aantal fotonen per seconde de pupil in; klopt dat met (a)? (c) Een telescoop met een opening van 200mm200\,\mathrm{mm}: winst in fotonen, en de magnitude die hij haalt. (d) Waarom spreken astronomen van de “fotonenruis” van een zwak beeld, en hoe schaalt die met de belichtingstijd?

Oplossing

Oplossing van Oefening 18.11.

(a) 100100 fotonen per seconde op 38mm238\,\mathrm{mm}^{2}: 2.6×106m2s12.6 \times 10^{6}\,\mathrm{m}^{-2}\,\mathrm{s}^{-1}, ×4×1019\times4 \times 10^{-19} J: 1×1012W/m21 \times 10^{-12}\,\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2}. (b) 1013.1×1000=8×1011W/m210^{-13.1} \times 1000 = 8 \times 10^{-11}\,\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2}, 2×1082 \times 10^8 fotonen per vierkante meter en per seconde, 80008000 per seconde de pupil in — ruim boven (a): de werkelijke grens van het oog wordt door de achtergrond bepaald en door de spreiding over vele staafjes. (c) (200/7)2=800(200/7)^2 = 800, +7.3+7.3 magnituden: m13m \approx 13. (d) NN fotonen schommelen met N\sqrt N: de signaal-ruisverhouding groeit als de wortel uit de belichtingstijd.

Oefening 18.12 ★★★

Voorbij de paraxiale benadering. Een bolgolf uit een punt op afstand dd heeft op de transversale afstand rr de exacte extra weg d2+r2d\sqrt{d^2 + r^2} - d. (a) Ontwikkel tot de vierde orde: r2/2dr4/8d3r^2/2d - r^4/8d^3. (b) De kwadratische (paraxiale) term wordt behouden en de vierdegraadsterm weggelaten zodra die laatste onder λ/4\lambda/4 blijft: toon aan dat dat r4<2λd3r^4 < 2\lambda d^3 vereist. (c) Getallen: d=1md = 1\,\mathrm{m}, λ=500nm\lambda = 500\,\mathrm{nm}: maximale rr; d=1cmd = 1\,\mathrm{cm} (een microscoop): maximale rr, en de bijbehorende hoek. (d) Commentaar: de “aberraties” van de meetkundige optica zijn juist deze weggelaten termen.

Oplossing

Oplossing van Oefening 18.12.

(a) d(1+r2/2d2r4/8d4+)dd(1 + r^2/2d^2 - r^4/8d^4 + \dots) - d. (b) r4/8d3<λ/4r^4/8d^3 < \lambda/4. (c) r<(2λd3)1/4r < (2\lambda d^3)^{1/4}: 3.2cm3.2\,\mathrm{cm} voor 1m1\,\mathrm{m}; 1mm1\,\mathrm{mm} voor 1cm1\,\mathrm{cm}, een hoek van 0.1rad0.1\,\mathrm{rad}. (d) Sferische aberratie ís deze vierdegraadsterm; de overige aberraties zijn haar neven buiten de as.

Natriumlampen onder lage druk in de mist: één gele lijn, een coherentielengte van centimeters — de klassieke bron van het optisch practicum, en van de straten van weleer.
Natriumlampen onder lage druk in de mist: één gele lijn, een coherentielengte van centimeters — de klassieke bron van het optisch practicum, en van de straten van weleer.

18.5 Vraagstuk: Een natriumlamp en een laserpen

Probleem 18.1

Weekendvraagstuk — twee lichtbronnen uit elkaar gehaald: de gele lamp van de oude straat, de rode pen in de collegezaal, en het ene getal dat beslist of elk van beide strepen kan maken

Deel I — De natriumlamp. Natrium zendt zijn gele doublet uit bij λ1=589.0nm\lambda_1 = 589.0\,\mathrm{nm} en λ2=589.6nm\lambda_2 = 589.6\,\mathrm{nm}. De natuurlijke breedte van elke lijn is Δνnatuur=10MHz\Delta\nu_{\text{natuur}} = 10\,\mathrm{MHz}; in de lamp zijn de atomen op 500K500\,\mathrm{K} (massa van natrium 23u23\,\mathrm{u}, kB=1.38×1023J/Kk_B = 1.38 \times 10^{-23}\,\mathrm{J}/\mathrm{K}, u=1.66×1027kgu = 1.66 \times 10^{-27}\,\mathrm{kg}).

  1. Frequenties van de twee lijnen en hun verschil.
  2. Coherentielengte van één lijn als alleen haar natuurlijke breedte meetelde.
  3. Dopplerverbreding: een atoom dat met vv langs de zichtlijn beweegt, zendt uit bij ν(1+v/c)\nu(1 + v/c); schat met de thermische effectieve snelheid kBT/m\sqrt{k_BT /m} langs één as de ΔνD\Delta\nu_D en vergelijk met de natuurlijke breedte.
  4. Coherentielengte van één dopplerverbrede lijn; in een echte hogedruklamp verbreden botsingen de lijn nog eens tien keer: coherentielengte dan.
  5. De twee lijnen samen: over welk wegverschil gaan hun strepenpatronen van samenvallen naar tegengesteld en weer terug (de “zwevingslengte” λ2/Δλ\lambda^2/\Delta\lambda)? Hoeveel strepen is dat?
  6. Een student bouwt met de lamp een interferometer met twee bundels en vergroot het wegverschil vanaf nul: beschrijf het contrast dat hij ziet — de zwevingen en de uiteindelijke uitdoving — met de gevonden getallen.
  7. De lamp straalt 1W1\,\mathrm{W} geel licht uit: fotonen per seconde; energie van één foton in eV, en waarom het licht geel is.
  8. Twee natriumlampen naast elkaar: kan hun licht interfereren? Waarom ligt de vraag anders voor de twee lijnen van één lamp?

Deel II — De laserpen. Een rode diodelaser van 1mW1\,\mathrm{mW} bij 650nm650\,\mathrm{nm} zendt, wanneer zij goedkoop is, verscheidene longitudinale modes uit over Δλ=0.5nm\Delta\lambda = 0.5\,\mathrm{nm}; een gestabiliseerde enkelmodige heeft Δν=1MHz\Delta\nu = 1\,\mathrm{MHz}.

  1. Coherentielengten van de twee laserpennen.
  2. Fotonen die per seconde worden uitgezonden; gemiddelde afstand tussen de fotonen langs de bundel (in meters); vergelijk met de coherentielengte — wat zegt dat over “fotonen die interfereren”?
  3. Zet de spreiding van 0.5nm0.5\,\mathrm{nm} om in een frequentiebreedte; de trilholte van de diode is 1mm1\,\mathrm{mm} lang met n=3.5n = 3.5: afstand tussen haar longitudinale modes (c/2nLc/2nL) en het aantal modes in de spreiding.
  4. De bundel (diameter 1mm1\,\mathrm{mm}) valt op een fotodiode die van elk foton een elektron maakt: stroom.
  5. De goedkope pen wordt in een interferometer met twee bundels gebruikt met een wegverschil van 2mm2\,\mathrm{mm}: strepen of niet? En de gestabiliseerde met 10m10\,\mathrm{m}?
  6. De diode wordt in werkelijkheid met pulsen van 1ns1\,\mathrm{ns} aan en uit geschakeld: kunnen de pulsen van twee opeenvolgende perioden met elkaar interfereren? Wat bepaalt de coherentie hier, de pulslengte of de lijnbreedte?
  7. Waarom oogt het licht van een laser op een muur “gespikkeld”, en dat van de lamp niet?
  8. Een rode led bij 650nm650\,\mathrm{nm} heeft Δλ=25nm\Delta\lambda = 25\,\mathrm{nm}: coherentielengte; waarom geven sommige projectoren de voorkeur aan leds boven lasers?

Deel III — Optische weglengten en detectoren.

  1. Er wordt een glasplaatje van 2mm2\,\mathrm{mm} (n=1.5n = 1.5) in één arm van de interferometer geschoven: extra optische weglengte, en het aantal strepen dat langs een merkteken schuift.
  2. Het plaatje wordt 1010{}^{\circ} gekanteld: extra weg (gebruik e/cosre/\cos r voor de lengte in het glas, min de lucht die het vervangt, in eerste benadering e(n/cosrcos(ir)/cosr)e(n/\cos r - \cos(i - r)/\cos r) — of schat eenvoudig met de langere meetkundige weg); orde van grootte van de streepverschuiving.
  3. De detector is een camera met pixels van 10µm10\,\text{µ}\mathrm{m}; de strepen liggen 50µm50\,\text{µ}\mathrm{m} uit elkaar: hoeveel pixels per streep, en wat gebeurt er met het gemeten contrast als de afstand tot 10µm10\,\text{µ}\mathrm{m} daalt?
  4. Belichting 10ms10\,\mathrm{ms} bij 1µW/cm21\,\text{µ}\mathrm{W}/\mathrm{cm}^{2} op één pixel: fotonen per pixel; relatieve fotonenruis.
  5. Twee gelijke coherente golven met intensiteit I0I_0 ontmoeten elkaar met een wegverschil δ\delta: schrijf de intensiteit I(δ)I(\delta) op en de periode van de strepen in δ\delta.
  6. De strepen schuiven met 1kHz1\,\mathrm{kHz} langs een punt (een trillende spiegel): wat ziet het oog, wat ziet de fotodiode?
  7. De armen van de interferometer lopen door 10m10\,\mathrm{m} lucht (n1=2.9×104n - 1 = 2.9 \times 10^{-4}\,): optische weglengte boven die in vacuüm, in strepen; wat een verandering van 1%1\,\% in de luchtdruk met het patroon doet.
  8. De lamp en de pen geven dezelfde 1µW/cm21\,\text{µ}\mathrm{W}/\mathrm{cm}^{2}: welke geeft meer fotonen per seconde, en waarom doet dat er voor de strepen niet toe?
  9. Vat samen: voor elke bron de coherentielengte, wat haar begrenst, en het wegverschil in de interferometer dat zij toelaat.
Oplossing

Oplossing van Probleem 18.1.

1. ν1=5.0934×1014Hz\nu_1 = 5.0934 \times 10^{14}\,\mathrm{Hz}, ν2=5.0882×1014Hz\nu_2 = 5.0882 \times 10^{14}\,\mathrm{Hz}: Δν=5.2×1011Hz\Delta\nu = 5.2 \times 10^{11}\,\mathrm{Hz}.

2. c/Δνnatuur=30mc/\Delta\nu_{\text{natuur}} = 30\,\mathrm{m}.

3. kBT/m=425m/s\sqrt{k_BT/m} = 425\,\mathrm{m}/\mathrm{s}: ΔνD2νv/c1.4GHz\Delta\nu_D \approx 2\nu v/c \approx 1.4\,\mathrm{GHz}, honderd keer de natuurlijke breedte.

4. c/ΔνD20cmc/\Delta\nu_D \approx 20\,\mathrm{cm}; met botsingen ongeveer 2cm2\,\mathrm{cm}.

5. λ2/Δλ=5892/0.6\lambda^2/\Delta\lambda = 589^2/0.6 nm =0.58mm= 0.58\,\mathrm{mm}: van samenvallen naar tegengesteld om de 0.29mm0.29\,\mathrm{mm}; ongeveer 10001000 strepen per zweving.

6. Het contrast schommelt met een periode van 0.58mm0.58\,\mathrm{mm} in wegverschil (nul bij 0.290.29, 0.870.87, 1.45mm1.45\,\mathrm{mm}, …) binnen een omhullende die over enkele centimeters vervaagt: een vijftigtal zwevingen, en dan niets meer.

7. 3×10183 \times 10^{18}\, fotonen per seconde; 2.1eV2.1\,\mathrm{eV}, het geel van het spectrum.

8. Nee: onafhankelijke atomen, willekeurige fasen. De twee lijnen van één lamp komen eveneens van verschillende atomen en interfereren niet met elkaar: de zwevingen zijn twee strepenpatronen die in intensiteit optellen.

9. λ2/Δλ=0.85mm\lambda^2/\Delta\lambda = 0.85\,\mathrm{mm}; c/Δν=300mc/\Delta\nu = 300\,\mathrm{m}.

10. 3.3×10153.3 \times 10^{15}\, per seconde, met een onderlinge afstand c/N=90nmc/N = 90\,\mathrm{nm} langs de bundel: tienduizend fotonen binnen één coherentielengte. Interferentie is geen ontmoeting van fotonen: elk foton interfereert met zichzelf.

11. Δν=cΔλ/λ2=360GHz\Delta\nu = c\Delta\lambda/\lambda^2 = 360\,\mathrm{GHz}; afstand tussen de modes c/2nL=43GHzc/2nL = 43\,\mathrm{GHz}: ongeveer acht modes.

12. e×3.3×1015=0.5mAe \times 3.3 \times 10^{15} = 0.5\,\mathrm{mA}.

13. 2mm2\,\mathrm{mm} >> 0.85mm0.85\,\mathrm{mm}: geen strepen; 10m10\,\mathrm{m} << 300m300\,\mathrm{m}: wel strepen.

14. Een puls van een nanoseconde is 30cm30\,\mathrm{cm} lang, veel langer dan de coherentielengte van 0.85mm0.85\,\mathrm{mm}: de lijnbreedte bepaalt de coherentie, niet de puls; opeenvolgende pulsen interfereren alleen als de fase van de laser de uitperiode overleeft — en dat doet zij niet.

15. Coherent licht dat door de ruwe muur wordt verstrooid, interfereert op het netvlies met willekeurige wegverschillen: spikkels. De coherentie van de lamp, op de schaal van een micrometer, middelt dat allemaal weg.

16. λ2/Δλ=17µm\lambda^2/\Delta\lambda = 17\,\text{µ}\mathrm{m}: veel te kort voor spikkels op een ruwe muur — geen spikkels, een gladder beeld.

17. (n1)e=1mm(n - 1)e = 1\,\mathrm{mm}: 15401540 strepen.

18. r=6.65r = 6.65{}^{\circ}; extra weg e(n/cosrcos(ir)/cosr)=3.0212.010=1.011mm\approx e(n/\cos r - \cos(i - r)/\cos r) = 3.021 - 2.010 = 1.011\,\mathrm{mm}, 11µm11\,\text{µ}\mathrm{m} meer dan ongekanteld: een twintigtal strepen meer.

19. Vijf pixels per streep; bij één pixel per streep integreert de pixel een hele periode en stort het contrast in.

20. 1×1012W1 \times 10^{-12}\,\mathrm{W} op de pixel ×\times 10ms10\,\mathrm{ms} =1×1014J= 1 \times 10^{-14}\,\mathrm{J}: 3×1043 \times 10^4 fotonen, ruis 0.6%0.6\%.

21. I=2I0[1+cos(2πδ/λ)]I = 2I_0[1 + \cos(2\pi\delta/\lambda)]: één streep per golflengte wegverschil.

22. Het oog middelt de beweging van een kilohertz tot een gelijkmatig veld; de fotodiode volgt haar.

23. (n1)×10=2.9mm(n - 1) \times 10 = 2.9\,\mathrm{mm}: 45004500 strepen; een drukverandering van 1%1\% verschuift ze over 4545 strepen — de interferometer is een barometer, tenzij hij wordt leeggepompt.

24. Vrijwel hetzelfde fotonentempo (2.1eV2.1\,\mathrm{eV} tegen 1.9eV1.9\,\mathrm{eV}); de strepen hangen van amplitudes en fasen af, en het aantal fotonen alleen van de ruis.

25. Lamp: centimeters, begrensd door doppler- en botsingsverbreding, strepen tot ongeveer 1cm1\,\mathrm{cm}; goedkope pen: 0.85mm0.85\,\mathrm{mm}, begrensd door haar verscheidene modes; gestabiliseerde laser: 300m300\,\mathrm{m}, begrensd door haar lijnbreedte.

Begrippen gedefinieerd in dit hoofdstuk

Bekijk alle 393 begrippen in de begrippenlijst