Physics · Boek 2 · Grades 10–12

Natuurkunde bovenbouw

Natuurkunde bovenbouw · Grades 10–12

31Vrije elektrische trillingen: RLC

Draai aan de zware knop van een zolderradio en de zenders trekken langs de naald voorbij: een stem, violen, geruis, weer een stem. Achter het paneel zit geen motor en geen computer — een spoel, een condensator waarvan de knop de in elkaar geschoven platen draait, en een stuk antennedraad. Dit hoofdstuk verbindt de twee energietanks van het vorige hoofdstuk (Hoofdstuk 30) kop aan kop en vindt de snelste slinger die ooit is gebouwd: lading die heen en weer zwaait, tot miljoenen keren per seconde, in een tempo dat de knop kiest.

31.1 Een elektrische slinger: de LC-kring

Laad een condensator CC tot een spanning U0U_0 — zijn platen dragen dan ±Q0\pm Q_0 met Q0=CU0Q_0 = C U_0 — en schakel hem op t=0t = 0 op een ideale spoel LL met weerstand nul. Nergens in de kring een bron: wat er nu ook gebeurt, de schakeling doet het zelf.

De LC-kring: een condensator geladen tot Q_0, een schakelaar, een ideale spoel. Door K te sluiten laat je de lading door de spoel wegstromen — en de spoel, die verandering haat, laat haar niet stoppen.
De LC-kring: een condensator geladen tot Q0Q_0, een schakelaar, een ideale spoel. Door KK te sluiten laat je de lading door de spoel wegstromen — en de spoel, die verandering haat, laat haar niet stoppen.

Propositie 31.1 (De LC-vergelijking)

In de ideale LC-kring voldoet de lading q(t)q(t) van de bovenste plaat aan

Ld2qdt2+qC=0,ofteweld2qdt2=1LCq.L\,\frac{d^2q}{dt^2} + \frac{q}{C} = 0, \qquad\text{oftewel}\qquad \frac{d^2q}{dt^2} = -\frac{1}{LC}\,q .

Bewijs. Rond de kring tellen de spanningen tot nul op (Propositie 12.4): uL+uC=0u_L + u_C = 0. De condensator geeft uC=q/Cu_C = q/C en de spoel uL=Ldi/dtu_L = L\,di/dt (Definitie 30.10), met i=dq/dti = dq/dt als de lading die op de bovenste plaat aankomt (Propositie 30.3); vul in.

Stelling 31.2 (Vrije trillingen van de LC-kring)

Losgelaten op t=0t = 0 met q(0)=Q0q(0) = Q_0 en i(0)=0i(0) = 0 trilt de kring:

q(t)=Q0cos ⁣(2πtT0),i(t)=I0sin ⁣(2πtT0),T0=2πLC,q(t) = Q_0 \cos\!\left(\frac{2\pi t}{T_0}\right), \qquad i(t) = -I_0 \sin\!\left(\frac{2\pi t}{T_0}\right), \qquad T_0 = 2\pi\sqrt{LC},

met piekstroom I0=2πQ0/T0=Q0/LCI_0 = 2\pi Q_0/T_0 = Q_0/\sqrt{LC}.

Bewijs. Controleer door invullen. Afleiden geeft i=dq/dt=2πT0Q0sin(2πt/T0)i = dq/dt = -\frac{2\pi}{T_0} Q_0 \sin(2\pi t/T_0) — de opgegeven i(t)i(t) — en nog eens d2qdt2=(2πT0)2q\frac{d^2q}{dt^2} = -(\frac{2\pi}{T_0})^2 q, wat gelijk is aan q/(LC)-q/(LC) precies wanneer (2π/T0)2=1/(LC)(2\pi/T_0)^2 = 1/(LC), oftewel T0=2πLCT_0 = 2\pi\sqrt{LC}. En q(0)=Q0q(0) = Q_0, i(0)=0i(0) = 0. Dat geen andere functie bij de vergelijking en de start past, wordt toegegeven, net als bij de veer (Opmerking 28.9).

Definitie 31.3 (Eigenperiode en eigenfrequentie)

De eigenperiode van een LC-kring is T0=2πLCT_0 = 2\pi\sqrt{LC}; haar eigenfrequentie is

f0=1T0=12πLC.f_0 = \frac{1}{T_0} = \frac{1}{2\pi\sqrt{LC}} .

Controle van de dimensies: 1H=1Vs/A1\,\mathrm{H} = 1\,\mathrm{V}\,\mathrm{s}/\mathrm{A} en 1F=1C/V1\,\mathrm{F} = 1\,\mathrm{C}/\mathrm{V}, dus draagt LCLC de eenheid s×C/A=s2\mathrm{s} \times \mathrm{C}/\mathrm{A} = \mathrm{s}^{2}LC\sqrt{LC} is een tijd, zoals het hoort.

Voorbeeld 31.4 (Eerste getallen)

L=10mHL = 10\,\mathrm{mH} met C=1.0µFC = 1.0\,\text{µ}\mathrm{F}: LC=1.0×104s\sqrt{LC} = 1.0 \times 10^{-4}\,\mathrm{s}, dus T0=0.63msT_0 = 0.63\,\mathrm{ms} en f01.6kHzf_0 \approx 1.6\,\mathrm{kHz} — een hoorbare toon. L=1.0mHL = 1.0\,\mathrm{mH} met C=100pFC = 100\,\mathrm{pF}: T0=2.0µsT_0 = 2.0\,\text{µ}\mathrm{s}, f00.50MHzf_0 \approx 0.50\,\mathrm{MHz} — een radiofrequentie. Alleen het product LCLC legt het tempo vast.

Opmerking 31.5 (Een kwart periode uit de pas)

De stroom loopt een kwart periode uit fase met de lading: i=0i = 0 wanneer q=±Q0q = \pm Q_0 (platen vol, stroming keert om) en i=±I0i = \pm I_0 wanneer q=0q = 0 (platen leeg, stroming op volle kracht) — precies de slinger, stilstaand in de uitersten en het snelst onderaan.

Lading en stroom van de vrije LC-kring: de stroom piekt telkens wanneer de lading door nul gaat, een kwart periode uit de pas.
Lading en stroom van de vrije LC-kring: de stroom piekt telkens wanneer de lading door nul gaat, een kwart periode uit de pas.

31.2 De energiewals

Propositie 31.6 (Behoud van de opgeslagen energie)

In de ideale LC-kring is de totale opgeslagen energie (Propositie 30.15)

E  =  EC+EL  =  q22C+12Li2  =  Q022C  =  12LI02E \;=\; E_C + E_L \;=\; \frac{q^2}{2C} + \tfrac12\,L i^2 \;=\; \frac{Q_0^2}{2C} \;=\; \tfrac12\,L I_0^2

constant: volledig in de condensator wanneer q=±Q0q = \pm Q_0, volledig in de spoel wanneer i=±I0i = \pm I_0.

Bewijs. Leid af: dEdt=qCdqdt+Lididt=i(qC+Ld2qdt2)=0\frac{dE}{dt} = \frac{q}{C}\frac{dq}{dt} + Li\frac{di}{dt} = i\left(\frac{q}{C} + L\frac{d^2q}{dt^2}\right) = 0 wegens Propositie 31.1. Haar waarde lees je af op t=0t = 0 (alles in de condensator), en nogmaals op het ogenblik dat alles stroom is, q=0q = 0 — waaruit 12LI02=Q02/2C\tfrac12 L I_0^2 = Q_0^2/2C en dus I0=Q0/LCI_0 = Q_0/\sqrt{LC} volgt, met energie alleen.

Eén periode van de wals: de energie klotst twee keer per periode van de platen naar de spoel en terug, met de som vastgepind op Q_02/2C — precies de figuur van de veeroscillator, met andere etiketten.
Eén periode van de wals: de energie klotst twee keer per periode van de platen naar de spoel en terug, met de som vastgepind op Q02/2CQ_0^2/2C — precies de figuur van de veeroscillator, met andere etiketten.

Voorbeeld 31.7 (De wals, opgemeten)

C=1.0µFC = 1.0\,\text{µ}\mathrm{F} geladen tot U0=10VU_0 = 10\,\mathrm{V} en geschakeld op L=10mHL = 10\,\mathrm{mH}: energie E=12CU02=5.0×105JE = \tfrac12 C U_0^2 = 5.0 \times 10^{-5}\,\mathrm{J}, periode T0=0.63msT_0 = 0.63\,\mathrm{ms}, en een piekstroom I0=U0C/L=0.10AI_0 = U_0\sqrt{C/L} = 0.10\,\mathrm{A} die een kwart periode (0.16ms0.16\,\mathrm{ms}) na het sluiten van de schakelaar wordt gehaald.

31.3 Echte schakelingen: gedempte trillingen

Elke echte spoel is van draad met weerstand gewikkeld: de eerlijke kring is een serie-RLC-kring, en de weerstand belast de wals.

Definitie 31.8 (Pseudoperiodisch en aperiodisch regime)

In een serie-RLC-kring verstookt de weerstand energie door het joule-effect (Hoofdstuk 12): de vrije trillingen zijn gedempt. Twee regimes, af te lezen op een oscilloscoop:

  • pseudoperiodisch (kleine RR): de kring trilt nog binnen een krimpende omhullende, met een herhaaltijd — de pseudoperiode — dicht bij T0=2πLCT_0 = 2\pi\sqrt{LC} zolang de demping zwak is;
  • aperiodisch (grote RR): de lading kruipt naar nul terug zonder er ooit voorbij te schieten — helemaal geen trilling.

Het exacte spiegelbeeld van de gedempte mechanische oscillator (Definitie 28.12).

De twee lotsbestemmingen van een echte RLC-kring: trillingen die binnen een exponentiële omhullende (gestippeld) sterven, of een kruiptocht naar nul zonder trilling. Bij zwakke demping blijft de pseudoperiode T_0.
De twee lotsbestemmingen van een echte RLC-kring: trillingen die binnen een exponentiële omhullende (gestippeld) sterven, of een kruiptocht naar nul zonder trilling. Bij zwakke demping blijft de pseudoperiode T0\approx T_0.

Opmerking 31.9 (Trillingen onderhouden)

Om de amplitude in leven te houden, voer je de kring precies de energie toe die de weerstand verstookt, één keer per cyclus en in de pas met de zwaai: een versterker doet voor de RLC-kring wat het duwtje van het echappement voor de slinger doet (Hoofdstuk 28). Elk kwartshorloge en elke radiozender is zo’n onderhouden oscillator, draaiend op zijn eigenfrequentie f0f_0.

31.4 De mechanische tweelingbroer

Propositie 31.10 (Het elektrisch–mechanische woordenboek)

De LC-vergelijking is woord voor woord de vergelijking van de veer met massa (Propositie 28.8):

LC-kringwagentje aan een veer
[2pt] lading qq\longleftrightarrowplaats xx
stroom i=dq/dti = dq/dt\longleftrightarrowsnelheid v=dx/dtv = dx/dt
zelfinductie LL\longleftrightarrowmassa mm
omgekeerde capaciteit 1/C1/C\longleftrightarrowveerconstante kk
weerstand RR\longleftrightarrowwrijving
Ld2qdt2+qC=0L\,\frac{d^2q}{dt^2} + \frac{q}{C} = 0\longleftrightarrowmd2xdt2+kx=0m\,\frac{d^2x}{dt^2} + kx = 0
[2pt] T0=2πLCT_0 = 2\pi\sqrt{LC}\longleftrightarrowT0=2πm/kT_0 = 2\pi\sqrt{m/k}
[2pt] EC=q2/2CE_C = q^2/2C\longleftrightarrowEp=12kx2E_p = \tfrac12 kx^2
EL=12Li2E_L = \tfrac12 Li^2\longleftrightarrowEk=12mv2E_k = \tfrac12 mv^2

Dezelfde vergelijking, dezelfde oplossingen: elk resultaat over de ene oscillator vertaalt zich ogenblikkelijk in de taal van de andere.

Bewijs. Vergelijk Propositie 31.1 met md2x/dt2=kxm\,d^2x/dt^2 = -kx: de substitutie qxq \to x, LmL \to m, 1/Ck1/C \to k maakt van de ene de andere, en LCm/kLC \to m/k maakt van 2πLC2\pi\sqrt{LC} de uitdrukking 2πm/k2\pi\sqrt{m/k}.

Voorbeeld 31.11 (Een radio afstemmen)

Een antenne voert een fluistering van elke zender in een LC-kring, maar alleen die welke rond f0f_0 uitzendt duwt in de pas en bouwt zich op — resonantie (Definitie 28.13). De afstemknop draait de platen van een variabele condensator: door CC te veranderen verschuift f0=1/(2πLC)f_0 = 1/(2\pi\sqrt{LC}), en de naald reikt de oortelefoon één zender per keer aan. Aan de zendkant legt een onderhouden oscillator (Opmerking 31.9) de uitzendfrequentie vast; in een horloge speelt een kwartskristal — een mechanische tweelingbroer van adembenemende stijfheid — dezelfde rol.

31.5 Oefeningen

Oefening 31.1

Bereken T0T_0 en f0f_0 voor (a) L=10mHL = 10\,\mathrm{mH}, C=1.0µFC = 1.0\,\text{µ}\mathrm{F}; (b) L=1.0mHL = 1.0\,\mathrm{mH}, C=100pFC = 100\,\mathrm{pF}. Met welke factor verschillen de frequenties?

Oplossing

Oplossing van Oefening 31.1.

(a) LC=1.0×104s\sqrt{LC} = 1.0 \times 10^{-4}\,\mathrm{s}: T0=0.63msT_0 = 0.63\,\mathrm{ms}, f01.6kHzf_0 \approx 1.6\,\mathrm{kHz}. (b) LC=3.16×107s\sqrt{LC} = 3.16 \times 10^{-7}\,\mathrm{s}: T0=2.0µsT_0 = 2.0\,\text{µ}\mathrm{s}, f00.50MHzf_0 \approx 0.50\,\mathrm{MHz} — een factor 105316\sqrt{10^5} \approx 316.

Oefening 31.2

Toon met 1H=1Vs/A1\,\mathrm{H} = 1\,\mathrm{V}\,\mathrm{s}/\mathrm{A} en 1F=1C/V1\,\mathrm{F} = 1\,\mathrm{C}/\mathrm{V} eenheid voor eenheid aan dat LC\sqrt{LC} een tijd is. Waarom verandert de 2π2\pi daar niets aan?

Oplossing

Oplossing van Oefening 31.2.

LCLC: (Vs/A)(C/V)=s×C/A=s×s=s2(\mathrm{V}\,\mathrm{s}/\mathrm{A})(\mathrm{C}/\mathrm{V}) = \mathrm{s} \times \mathrm{C}/\mathrm{A} = \mathrm{s} \times \mathrm{s} = \mathrm{s}^{2}, dus staat LC\sqrt{LC} in seconden. 2π2\pi is een zuiver getal — geen dimensie om iets aan te veranderen.

Oefening 31.3

Een condensator van 470nF470\,\mathrm{nF} wordt tot 6.0V6.0\,\mathrm{V} geladen. Bereken Q0Q_0 en de opgeslagen energie; beschrijf zonder te rekenen wat er volgt wanneer hij op een ideale spoel wordt geschakeld.

Oplossing

Oplossing van Oefening 31.3.

Q0=CU0=2.8µCQ_0 = CU_0 = 2.8\,\text{µ}\mathrm{C}; E=12CU02=12×4.7×107×368.5µJE = \tfrac12 CU_0^2 = \tfrac12 \times 4.7 \times 10^{-7} \times 36 \approx 8.5\,\text{µ}\mathrm{J}. De lading trilt met f0=1/(2πLC)f_0 = 1/(2\pi\sqrt{LC}), de stroom een kwart periode uit fase, en de energie klotst tussen platen en spoel, met een constant totaal.

Oefening 31.4

Een LC-kring volgt q(t)=2.0cos(2πt/T0)q(t) = 2.0\cos(2\pi t/T_0) in microcoulomb, met T0=4.0msT_0 = 4.0\,\mathrm{ms}. Lees Q0Q_0 af; bereken f0f_0, q(T0/2)q(T_0/2), i(0)i(0) en de piekstroom I0=2πQ0/T0I_0 = 2\pi Q_0/T_0.

Oplossing

Oplossing van Oefening 31.4.

Q0=2.0µCQ_0 = 2.0\,\text{µ}\mathrm{C}; f0=1/T0=250Hzf_0 = 1/T_0 = 250\,\mathrm{Hz}; q(T0/2)=2.0µCq(T_0/2) = -2.0\,\text{µ}\mathrm{C}; i(0)=0i(0) = 0 (de cosinus is vlak in t=0t=0); I0=2π×2.0×106/4.0×1033.1mAI_0 = 2\pi \times 2.0 \times 10^{-6}/4.0 \times 10^{-3} \approx 3.1\,\mathrm{mA}.

Oefening 31.5

Op welke ogenblikken van de cyclus zit de energie volledig in de condensator? En volledig in de spoel? Wat is voor een slinger de mechanische tegenhanger van elk van die momenten?

Oplossing

Oplossing van Oefening 31.5.

Alles in de condensator wanneer q=±Q0q = \pm Q_0 en i=0i = 0 (t=0t = 0, T0/2T_0/2, T0T_0, …): de uitersten van de slinger. Alles in de spoel wanneer q=0q = 0 en i=±I0i = \pm I_0 (t=T0/4t = T_0/4, 3T0/43T_0/4, …): het laagste en snelste punt van de slinger.

Oefening 31.6 ★★

Ga door invullen na dat q(t)=Q0cos(2πt/T0)q(t) = Q_0\cos(2\pi t/T_0) aan Ld2q/dt2+q/C=0L\,d^2q/dt^2 + q/C = 0 voldoet precies wanneer T0=2πLCT_0 = 2\pi\sqrt{LC}.

Oplossing

Oplossing van Oefening 31.6.

d2q/dt2=(2π/T0)2Q0cos(2πt/T0)=(2π/T0)2qd^2q/dt^2 = -(2\pi/T_0)^2\,Q_0\cos(2\pi t/T_0) = -(2\pi/T_0)^2 q, dus is Ld2q/dt2+q/C=q[1/CL(2π/T0)2]=0L\,d^2q/dt^2 + q/C = q\,[\,1/C - L(2\pi/T_0)^2\,] = 0 voor alle tt precies wanneer (2π/T0)2=1/(LC)(2\pi/T_0)^2 = 1/(LC), oftewel T0=2πLCT_0 = 2\pi\sqrt{LC}.

Oefening 31.7 ★★

Een langegolfzender zendt uit op 198kHz198\,\mathrm{kHz}. Welke zelfinductie stemt daar met C=220pFC = 220\,\mathrm{pF} op af?

Oplossing

Oplossing van Oefening 31.7.

L=14π2f02C=139.5×(1.98×105)2×2.2×10102.9mHL = \dfrac{1}{4\pi^2 f_0^2 C} = \dfrac{1}{39.5 \times (1.98 \times 10^{5})^2 \times 2.2 \times 10^{-10}} \approx 2.9\,\mathrm{mH}.

Oefening 31.8 ★★

C=1.0µFC = 1.0\,\text{µ}\mathrm{F} geladen tot 10V10\,\mathrm{V} ontlaadt in L=10mHL = 10\,\mathrm{mH}. Bereken de opgeslagen energie, de piekstroom (met behulp van het behoud van energie) en het ogenblik waarop die voor het eerst wordt bereikt.

Oplossing

Oplossing van Oefening 31.8.

E=12CU02=5.0×105JE = \tfrac12 CU_0^2 = 5.0 \times 10^{-5}\,\mathrm{J}; uit 12LI02=E\tfrac12 LI_0^2 = E volgt I0=2E/L=1.0×102=0.10AI_0 = \sqrt{2E/L} = \sqrt{1.0 \times 10^{-2}} = 0.10\,\mathrm{A}, voor het eerst bereikt op T0/4=14×0.63ms0.16msT_0/4 = \tfrac14 \times 0.63\,\mathrm{ms} \approx 0.16\,\mathrm{ms}.

Oefening 31.9 ★★

Leg uit waarom ECE_C en ELE_L met frequentie 2f02f_0 trillen en niet met f0f_0. Toon aan dat op t=T0/8t = T_0/8 (gestart vanaf q=Q0q = Q_0) de energie precies in twee gelijke helften is verdeeld.

Oplossing

Oplossing van Oefening 31.9.

ECcos2(2πt/T0)E_C \propto \cos^2(2\pi t/T_0), en cos2\cos^2 herhaalt zich elke halve omwenteling: twee vullingen van de condensator per periode, dus 2f02f_0. Op t=T0/8t = T_0/8 is de fase π/4\pi/4: cos2(π/4)=12\cos^2(\pi/4) = \tfrac12, dus EC=EL=E/2E_C = E_L = E/2.

Oefening 31.10 ★★

Op een oscillogram van een zwak gedempte RLC-kring lezen opeenvolgende maxima 4.0V4.0\,\mathrm{V} en daarna 3.0V3.0\,\mathrm{V}. Voorspel, aangenomen dat de verhouding constant blijft, het zesde maximum na dat van 4.0V4.0\,\mathrm{V}. Welke fractie van de energie overleeft elke pseudoperiode? Wat kun je over de pseudoperiode zelf zeggen?

Oplossing

Oplossing van Oefening 31.10.

Verhouding 3.0/4.0=0.753.0/4.0 = 0.75 per pseudoperiode: het zesde maximum is 4.0×0.7560.71V4.0 \times 0.75^6 \approx 0.71\,\mathrm{V}. De energie is evenredig met het kwadraat van de amplitude: 0.75256%0.75^2 \approx 56\% overleeft elke periode. De pseudoperiode blijft T0=2πLC\approx T_0 = 2\pi\sqrt{LC}: zwakke demping krimpt de amplitude, nauwelijks het tempo.

Oefening 31.11 ★★

Een LC-kring heeft L=0.50HL = 0.50\,\mathrm{H} en C=20µFC = 20\,\text{µ}\mathrm{F}. Bereken T0T_0; bepaal daarna met het woordenboek (Propositie 31.10) de veerconstante kk die een wagentje van 0.50kg0.50\,\mathrm{kg} dezelfde periode geeft, en controleer die.

Oplossing

Oplossing van Oefening 31.11.

T0=2π0.50×2.0×105=2π×3.16×10320msT_0 = 2\pi\sqrt{0.50 \times 2.0 \times 10^{-5}} = 2\pi \times 3.16 \times 10^{-3} \approx 20\,\mathrm{ms}. Woordenboek: k=m/(LC)=0.50/1.0×105=5.0×104N/mk = m/(LC) = 0.50/1.0 \times 10^{-5} = 5.0 \times 10^{4}\,\mathrm{N}/\mathrm{m}; controle: 2πm/k=2π1.0×1052\pi\sqrt{m/k} = 2\pi\sqrt{1.0 \times 10^{-5}} — dezelfde 20ms20\,\mathrm{ms}.

Oefening 31.12 ★★★

Een afstemkring gebruikt L=0.20mHL = 0.20\,\mathrm{mH} en een variabele condensator die 50 to 500pF50\text{ to }500\,\mathrm{pF} bestrijkt. Bereken de twee uiterste frequenties. Toon aan dat f01/Cf_0 \propto 1/\sqrt{C}, zodat een factor tien in CC maar 103.2\sqrt{10} \approx 3.2 in frequentie oplevert.

Oplossing

Oplossing van Oefening 31.12.

C=500pFC = 500\,\mathrm{pF}: f0=1/(2π1.0×1013)0.50MHzf_0 = 1/(2\pi\sqrt{1.0 \times 10^{-13}}) \approx 0.50\,\mathrm{MHz}; C=50pFC = 50\,\mathrm{pF}: f01.6MHzf_0 \approx 1.6\,\mathrm{MHz}. Bij vaste LL is f0=(2πL)1C1/21/Cf_0 = (2\pi\sqrt{L})^{-1} C^{-1/2} \propto 1/\sqrt{C}: een factor tien in CC geeft maar 103.2\sqrt{10} \approx 3.2 in f0f_0 — zoals gevonden.

Oefening 31.13 ★★★

Door een echte spoel verliest de kring per pseudoperiode 5.0%5.0\% van haar energie. Na hoeveel perioden is de energie gehalveerd? Hoe groot is de amplitude dan, als fractie van de start? Hoe lang duurt dat bij f0=1.0MHzf_0 = 1.0\,\mathrm{MHz}, in microseconden?

Oplossing

Oplossing van Oefening 31.13.

0.95n=120.95^n = \tfrac12: n=ln2/ln0.9513.5n = \ln 2/\lvert\ln 0.95\rvert \approx 13.5, dus zo’n 1414 perioden. De amplitude is evenredig met E\sqrt{E}: terug tot 1/20.711/\sqrt{2} \approx 0.71 van de start. Bij 1.0MHz1.0\,\mathrm{MHz} is T0=1.0µsT_0 = 1.0\,\text{µ}\mathrm{s}: ongeveer 14µs14\,\text{µ}\mathrm{s}.

Oefening 31.14 ★★★

Een horloge-oscillator slaat E=1.0×109JE = 1.0 \times 10^{-9}\,\mathrm{J} op en verliest daarvan 2.0%2.0\% per cyclus bij f0=32768Hzf_0 = 32\,768\,\mathrm{Hz}. Welk gemiddeld vermogen moet de onderhoudsschakeling leveren? Waarom moet het duwtje in de pas met de trilling aankomen?

Oplossing

Oplossing van Oefening 31.14.

Verlies per cyclus 0.020×1.0×109J=2.0×1011J0.020 \times 1.0 \times 10^{-9}\,\mathrm{J} = 2.0 \times 10^{-11}\,\mathrm{J}, bij 3276832\,768 cycli per seconde: P=32768×2.0×10116.6×107WP = 32\,768 \times 2.0 \times 10^{-11} \approx 6.6 \times 10^{-7}\,\mathrm{W} — onder een microwatt, jaren op een knoopcel. In de pas, omdat alleen een duw op de juiste fase energie toevoegt (resonantie); uit de pas zou ze de zwaai afremmen.

Oefening 31.15 ★★★

Na elke flank van een blokvormig signaal “rinkelt” de bedrading van een experimentator op 25MHz25\,\mathrm{MHz}; de parasitaire zelfinductie is ongeveer 1.0µH1.0\,\text{µ}\mathrm{H}. Schat de parasitaire capaciteit die daarvoor verantwoordelijk is. In welk regime zou een kleine weerstand in serie de kring moeten duwen, en waarom geneest dat het rinkelen?

Oplossing

Oplossing van Oefening 31.15.

C=14π2f02L=139.5×(2.5×107)2×1.0×10641pFC = \dfrac{1}{4\pi^2 f_0^2 L} = \dfrac{1}{39.5 \times (2.5 \times 10^{7})^2 \times 1.0 \times 10^{-6}} \approx 41\,\mathrm{pF}. De weerstand moet de kring in het aperiodische regime duwen: de lading zakt dan zonder over te schieten — geen trilling, geen rinkeling.

31.6 Probleem: Een kristalontvanger bouwen

Probleem 31.1

Weekendopgave — een kristalontvanger bouwen: één spoel, één variabele condensator, een diode en een oortelefoon — geen batterij, geen versterker, en het avondnieuws komt binnen op de energie van de golf zelf

Een bouwpakket van zolder bij de grootouders: een spoel L=0.20mHL = 0.20\,\mathrm{mH} gewikkeld op een kartonnen koker, een variabele condensator waarvan de platen van 20pF20\,\mathrm{pF} tot 480pF480\,\mathrm{pF} draaien, een kristaldiode, een oortelefoon en 20m20\,\mathrm{m} antennedraad. De zenders die je wilt vangen zenden uit tussen 530kHz530\,\mathrm{kHz} en 1700kHz1700\,\mathrm{kHz}.

Deel I — De afstemkring.

  1. De geladen condensator mag zich in de spoel ontladen: schrijf de kringwet op en maak er de differentiaalvergelijking voor q(t)q(t) van.
  2. Ga door invullen na dat q(t)=Q0cos(2πt/T0)q(t) = Q_0\cos(2\pi t/T_0) haar oplost, mits T0=2πLCT_0 = 2\pi\sqrt{LC}.
  3. Controleer met een dimensieanalyse dat LC\sqrt{LC} een tijd is.
  4. Knop op C=330pFC = 330\,\mathrm{pF}: bereken T0T_0 en f0f_0. Is de kring binnen de band afgestemd?
  5. Bepaal de capaciteit die precies op 1.00MHz1.00\,\mathrm{MHz} afstemt.

Deel II — De variabele condensator.

  1. Bereken de capaciteit die nodig is voor 530kHz530\,\mathrm{kHz}.
  2. Bereken de capaciteit die nodig is voor 1700kHz1700\,\mathrm{kHz}.
  3. Bereken de twee frequenties die de condensator van 20 to 480pF20\text{ to }480\,\mathrm{pF} uit het pakket werkelijk haalt. Bestrijkt hij de hele band?
  4. Toon aan dat f01/Cf_0 \propto 1/\sqrt{C} bij vaste LL; met welke factor moet CC veranderen om f0f_0 te verdubbelen?
  5. De platen schuiven lineair open, dus daalt CC gestaag terwijl de knop draait. Leg uit waarom de zenders dan aan één kant van de schaal op elkaar gedrongen staan — en aan welke kant.

Deel III — Energie en demping. Afgestemd op 1.00MHz1.00\,\mathrm{MHz} (C=127pFC = 127\,\mathrm{pF}) laadt de antenne de condensator even tot U0=20mVU_0 = 20\,\mathrm{mV}.

  1. Bereken de lading Q0Q_0 en de opgeslagen energie EE.
  2. Bereken de piekstroom I0I_0 met behulp van het behoud van energie.
  3. De weerstand van de spoel verstookt per cyclus 4.0%4.0\% van de opgeslagen energie: na hoeveel cycli is de energie gehalveerd?
  4. Hoe lang duurt dat in microseconden? Waarom kan dit “rinkelen” in zijn eentje het avondnieuws niet laten spelen?
  5. Leg uit waarom de binnenkomende golf de kring alleen aan het zwaaien houdt als die op die zender is afgestemd — en wat de trilling bij de zender onderhoudt (Opmerking 31.9).

Deel IV — De mechanische tweelingbroer.

  1. Bereken met het woordenboek (Propositie 31.10) en een wagentje met massa m=0.20kgm = 0.20\,\mathrm{kg} de veerconstante kk van de veer die bij de afgestemde kring past.
  2. Een stugge autoveer heeft k5×104N/mk \approx 5 \times 10^{4}\,\mathrm{N}/\mathrm{m}. Becommentarieer: kan een opstelling met een veer en een massa op tafel op megahertz trillen?
  3. Houd in plaats daarvan een redelijke k=100N/mk = 100\,\mathrm{N}/\mathrm{m} aan: welke massa trilt op 1.00MHz1.00\,\mathrm{MHz}?
  4. Welk echt voorwerp is zo’n vederlichte, superstijve mechanische oscillator, en waar ben je het eerder dit jaar tegengekomen (Hoofdstuk 28)?
  5. Specificatieblad, in één zin: de band die je radio bestrijkt, de capaciteit die 1.00MHz1.00\,\mathrm{MHz} uitkiest, hoe lang één losse rinkeling duurt, en wat het nieuws toch laat spelen.
Oplossing

Oplossing van Probleem 31.1.

1. Kringwet: uL+uC=0u_L + u_C = 0, met uC=q/Cu_C = q/C, uL=Ldi/dtu_L = L\,di/dt en i=dq/dti = dq/dt: Ld2q/dt2+q/C=0L\,d^2q/dt^2 + q/C = 0.

2. d2q/dt2=(2π/T0)2qd^2q/dt^2 = -(2\pi/T_0)^2 q, dus luidt de vergelijking q[1/CL(2π/T0)2]=0q\,[\,1/C - L(2\pi/T_0)^2\,] = 0, waar voor alle tt precies wanneer T0=2πLCT_0 = 2\pi\sqrt{LC}.

3. LCLC: (Vs/A)(C/V)=s×C/A=s2(\mathrm{V}\,\mathrm{s}/\mathrm{A})(\mathrm{C}/\mathrm{V}) = \mathrm{s} \times \mathrm{C}/\mathrm{A} = \mathrm{s}^{2}LC\sqrt{LC} is een tijd.

4. LC=6.6×1014s2LC = 6.6 \times 10^{-14}\,\mathrm{s}^{2}: T0=2π×2.57×1071.6µsT_0 = 2\pi \times 2.57 \times 10^{-7} \approx 1.6\,\text{µ}\mathrm{s}, f0620kHzf_0 \approx 620\,\mathrm{kHz} — binnen 530 to 1700kHz530\text{ to }1700\,\mathrm{kHz}.

5. C=14π2f02L=139.5×1.0×1012×2.0×104127pFC = \dfrac{1}{4\pi^2 f_0^2 L} = \dfrac{1}{39.5 \times 1.0 \times 10^{12} \times 2.0 \times 10^{-4}} \approx 127\,\mathrm{pF}.

6. Dezelfde formule op 530kHz530\,\mathrm{kHz}: C451pFC \approx 451\,\mathrm{pF}.

7. Op 1700kHz1700\,\mathrm{kHz}: C44pFC \approx 44\,\mathrm{pF}.

8. C=480pFC = 480\,\mathrm{pF}: f0514kHzf_0 \approx 514\,\mathrm{kHz}; C=20pFC = 20\,\mathrm{pF}: f02.5MHzf_0 \approx 2.5\,\mathrm{MHz} — de hele band, met marge aan beide uiteinden.

9. f0=(2πL)1C1/21/Cf_0 = (2\pi\sqrt{L})^{-1}C^{-1/2} \propto 1/\sqrt{C}; f0f_0 verdubbelen vraagt CC door 44 te delen.

10. Omdat f01/Cf_0 \propto 1/\sqrt{C}, verschuiven gelijke stappen in CC de f0f_0 traag bij grote CC en snel bij kleine CC: een gegeven afstand tussen zenders kost dan weinig knopverdraaiing — ze dringen samen aan het uiteinde met de hoge frequenties (lage CC).

11. Q0=CU0=1.27×1010×0.0202.5×1012CQ_0 = CU_0 = 1.27 \times 10^{-10} \times 0.020 \approx 2.5 \times 10^{-12}\,\mathrm{C}; E=12CU022.5×1014JE = \tfrac12 CU_0^2 \approx 2.5 \times 10^{-14}\,\mathrm{J}.

12. 12LI02=E\tfrac12 LI_0^2 = E: I0=U0C/L=0.0206.35×10716µAI_0 = U_0\sqrt{C/L} = 0.020\sqrt{6.35 \times 10^{-7}} \approx 16\,\text{µ}\mathrm{A}.

13. 0.96n=120.96^n = \tfrac12: n=ln2/ln0.9617n = \ln 2/\lvert\ln 0.96\rvert \approx 17 cycli.

14. Bij 1.00MHz1.00\,\mathrm{MHz} is T0=1.0µsT_0 = 1.0\,\text{µ}\mathrm{s}: de rinkeling halveert in ongeveer 17µs17\,\text{µ}\mathrm{s}. Eén losse rinkeling sterft in microseconden; muziek vraagt een kring die voortdurend wordt gevoed.

15. De golf duwt miljoenen keren per seconde; alleen wanneer haar frequentie met f0f_0 samenvalt, komen de duwen in de pas aan en bouwen ze de zwaai op — resonantie; zenders naast de afstemming duwen even vaak tegen als mee. Bij de zender geeft een versterker de verstookte energie elke cyclus terug: een onderhouden oscillator.

16. LC=2.54×1014s2LC = 2.54 \times 10^{-14}\,\mathrm{s}^{2}: k=m/(LC)=0.20/2.54×10147.9×1012N/mk = m/(LC) = 0.20/2.54 \times 10^{-14} \approx 7.9 \times 10^{12}\,\mathrm{N}/\mathrm{m}.

17. Ongeveer 10810^8 keer de autoveer: geen enkele opstelling met een veer en een massa op tafel haalt megahertz — alledaagse stijfheden en massa’s zijn hopeloos traag.

18. m=k(2πf0)2=100(6.28×106)22.5×1012kgm = \dfrac{k}{(2\pi f_0)^2} = \dfrac{100} {(6.28 \times 10^{6})^2} \approx 2.5 \times 10^{-12}\,\mathrm{kg} — een paar nanogram, een stofje.

19. Een kwartskristal: een vederlicht, superstijf plaatje dat op zijn eigenfrequentie zingt — de tijdmeter van eerder dit jaar.

20. Met L=0.20mHL = 0.20\,\mathrm{mH} en 20 to 480pF20\text{ to }480\,\mathrm{pF} bestrijkt de kring ongeveer 0.51 to 2.5MHz0.51\text{ to }2.5\,\mathrm{MHz} en dus de hele band; C127pFC \approx 127\,\mathrm{pF} pikt 1.00MHz1.00\,\mathrm{MHz} eruit; op zichzelf gelaten halveert de rinkeling in 17µs\approx 17\,\text{µ}\mathrm{s}, maar de golf van de zender zelf, die in de pas resoneert, voedt de kring opnieuw — het nieuws speelt op de energie van de golf zelf.