Mathematics · Book 1 · Grades 1–9

Wiskunde basisschool en onderbouw

Wiskunde basisschool en onderbouw · Grades 1–9

13Problemen oplossen

Een verhaal met getallen verbergt een vraag: optellen? aftrekken? vermenigvuldigen? Dit hoofdstuk geeft een manier om te kiezen, gebruikt eenvoudige staafjesplaatjes om de bewerking te zien, en leest informatie uit tabellen en pictogrammen.

13.1 De bewerking kiezen

Methode 13.1 (Welke bewerking?)

  1. bij elkaar, in totaal: optellen (++);
  2. wegnemen, hoeveel over, hoeveel meer: aftrekken (-);
  3. zoveel gelijke groepen: vermenigvuldigen (×\times);
  4. teken een snelle schets als je twijfelt, en antwoord altijd met een zin.
Staafjesplaatjes: twee staafjes aan elkaar betekenen een optelling; twee staafjes vergeleken betekenen een aftrekking.
Staafjesplaatjes: twee staafjes aan elkaar betekenen een optelling; twee staafjes vergeleken betekenen een aftrekking.

Voorbeeld 13.2 (Een probleem in twee stappen)

“Sam koopt 33 pakjes van 66 stickers, en geeft er dan 55 weg. Hoeveel houdt hij over?”

  1. Groepen: 3×6=183 \times 6 = 18 stickers;
  2. weggeven: 185=1318 - 5 = 13.

Sam houdt 1313 stickers over. Lees de vraag opnieuw: is het verhaal echt klaar? Hier wel.

Voorbeeld 13.3 (Een verborgen extra getal)

“Een boek van 210210 bladzijden …” — let op, niet elk getal in een verhaal is nodig. “Ben heeft 88 rode en 66 blauwe knikkers en is 77 jaar oud. Hoeveel knikkers?” De leeftijd is een lokmiddel: 8+6=148 + 6 = 14 knikkers. Sorteer de getallen vóór het rekenen.

13.2 Tabellen en pictogrammen

Voorbeeld 13.4 (Een tabel)

Verkochte cakes bij een kraam:

zaterdagzondagtotaal
muffins1212992121
taartjes7710101717

Lezen: zondag taartjes, 1010. Rekenen: muffins over de twee dagen, 12+9=2112 + 9 = 21; meer taartjes op zondag dan zaterdag met 107=310 - 7 = 3.

Voorbeeld 13.5 (Een pictogram)

Lees eerst de legenda: hier staat één appel voor 22 stuks fruit.

Een pictogram: rood toont 4 stippen, dus 4 × 2 = 8 rode stuks fruit; groen 2 stippen, 4 stuks; geel 3 stippen, 6 stuks.
Een pictogram: rood toont 44 stippen, dus 4×2=84 \times 2 = 8 rode stuks fruit; groen 22 stippen, 44 stuks; geel 33 stippen, 66 stuks.

13.3 Oefeningen

Oefening 13.1

Noem de bewerking (reken niet uit): “3434 en 2828 knikkers bij elkaar”; “5050 snoepjes, er worden er 1212 opgegeten”; “44 dozen van 55 appels”; “Ana heeft 3030, Leo heeft 1818: hoeveel meer heeft Ana?”.

Oplossing

Oplossing van Oefening 13.1.

Bij elkaar: optelling. 5050 snoepjes, 1212 opgegeten: aftrekking. 44 dozen van 55: vermenigvuldiging. Hoeveel meer: aftrekking.

Oefening 13.2

Los op: “Een parkeerplaats heeft 156156 auto’s; er vertrekken er 4848. Hoeveel blijven er?”

Oplossing

Oplossing van Oefening 13.2.

15648=108156 - 48 = 108. Er blijven 108108 auto’s.

Oefening 13.3

Los op: “55 kinderen plukken elk 44 bloemen. Hoeveel bloemen in totaal?”

Oplossing

Oplossing van Oefening 13.3.

5×4=205 \times 4 = 20 bloemen.

Oefening 13.4

Teken een staafjesplaatje, los dan op: “Tom heeft 4545 kaarten, Mia heeft er 1717 minder. Hoeveel heeft Mia?”

Oplossing

Oplossing van Oefening 13.4.

Vergelijkingsstaaf: Tom 4545, Mia korter met 1717: 4517=2845 - 17 = 28 kaarten.

Oefening 13.5

Twee stappen: “Een krat bevat 66 flessen. Een winkel krijgt 44 kratten en verkoopt 99 flessen. Hoeveel flessen blijven er over?”

Oplossing

Oplossing van Oefening 13.5.

Ontvangen flessen: 4×6=244 \times 6 = 24; overblijvend: 249=1524 - 9 = 15 flessen.

Oefening 13.6

Zoek en streep het nutteloze getal door, los dan op: “Ben is 88 jaar oud en heeft 2323 knikkers. Hij wint er 1515 bij. Hoeveel knikkers nu?”

Oplossing

Oplossing van Oefening 13.6.

Het nutteloze getal is de leeftijd (88). Knikkers: 23+15=3823 + 15 = 38.

Oefening 13.7

Met de tabel van Voorbeeld 13.4: hoeveel taartjes verkocht over de twee dagen? Hoeveel cakes van alle soorten op zaterdag?

Oplossing

Oplossing van Oefening 13.7.

Taartjes: 7+10=177 + 10 = 17. Zaterdag, alle cakes: 12+7=1912 + 7 = 19.

Oefening 13.8

Met het pictogram van Voorbeeld 13.5: hoeveel stuks fruit in totaal? Welke kleur heeft de meeste?

Oplossing

Oplossing van Oefening 13.8.

Rood 88, groen 44, geel 66: in totaal 8+4+6=188 + 4 + 6 = 18 stuks fruit. Rood heeft de meeste.

Oefening 13.9

Los op: “Een lint is 8080 cm lang. Lea knipt er 3535 cm af. Hoe lang is het stuk dat overblijft?”

Oplossing

Oplossing van Oefening 13.9.

8035=4580 - 35 = 45 cm blijft over.

Oefening 13.10 ★★

“Een bakker maakt ’s ochtends 55 bladen van 44 cakes en ’s middags 33 bladen van 44 cakes. Hoeveel cakes die dag?” (Twee vermenigvuldigingen, dan een som — of tel eerst de bladen!)

Oplossing

Oplossing van Oefening 13.10.

Ochtend: 5×4=205 \times 4 = 20; middag: 3×4=123 \times 4 = 12; totaal 20+12=3220 + 12 = 32 cakes. (Of: 5+3=85 + 3 = 8 bladen van 44, en 8×4=328 \times 4 = 32.)