Wiskunde basisschool en onderbouw · Grades 1–9
16Vermenigvuldigen
Drie zakjes met zeven knikkers: je kunt optellen, maar het kan sneller — met vermenigvuldigen, de bewerking van het herhaald optellen. In dit hoofdstuk bouwen we de tafels op uit plaatjes en leer je daarna het cijferen.
16.1 Wat vermenigvuldigen betekent
Definitie 16.1 (Vermenigvuldigen)
Het product betekent “drie keer zeven”:
In een plaatje is een rechthoek van stippen: rijen van stippen.
Propositie 16.2 (Regels die helpen)
- De volgorde maakt niets uit: .
- Met vermenigvuldigen verandert niets; met vermenigvuldigen geeft .
- Met vermenigvuldigen zet er een nul achter: ; met twee nullen.
- Een tafel kun je uit zijn buren opbouwen: .
Bewijs. Op dit niveau zonder bewijs aangenomen. ∎
Voorbeeld 16.3 (De tafelkaart)
Alle tafels passen in één vierkant. Om af te lezen: rij , kolom .
| 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | |
| 2 | 4 | 6 | 8 | 10 | 12 | 14 | 16 | 18 | |
| 3 | 6 | 9 | 12 | 15 | 18 | 21 | 24 | 27 | |
| 4 | 8 | 12 | 16 | 20 | 24 | 28 | 32 | 36 | |
| 5 | 10 | 15 | 20 | 25 | 30 | 35 | 40 | 45 | |
| 6 | 12 | 18 | 24 | 30 | 36 | 42 | 48 | 54 | |
| 7 | 14 | 21 | 28 | 35 | 42 | 49 | 56 | 63 | |
| 8 | 16 | 24 | 32 | 40 | 48 | 56 | 64 | 72 | |
| 9 | 18 | 27 | 36 | 45 | 54 | 63 | 72 | 81 |
Het vierkant is symmetrisch om zijn diagonaal — dat is regel 1, zichtbaar gemaakt.
16.2 Cijferend vermenigvuldigen
Methode 16.4 (Met een getal van één cijfer vermenigvuldigen)
Om uit te rekenen:
- vermenigvuldig de eenheden: : schrijf , onthoud ;
- vermenigvuldig de tientallen en tel het onthoudcijfer erbij: : schrijf , onthoud ;
- vermenigvuldig de honderdtallen en tel het onthoudcijfer erbij: : schrijf .
Controleer met een schatting: ligt dicht bij , en : de uitkomst is aannemelijk.
Voorbeeld 16.5 (Splitsen om uit het hoofd te rekenen)
Het cijferen splitst het getal in stilte naar plaatswaarden. Doe uit het hoofd hetzelfde:
En met een vriendelijk buurgetal: .
16.3 Vermenigvuldigen in verhaaltjes
Voorbeeld 16.6
In een minibus passen passagiers. Hoeveel passagiers kunnen minibussen vervoeren?
- Het is een vermenigvuldiging: groepjes van .
- (met cijferen, of ).
- Antwoordzin: de minibussen kunnen passagiers vervoeren.
16.4 Oefeningen
Oefening 16.1 ★
Schrijf als vermenigvuldiging en reken uit: ; ; .
Oplossing
Oplossing van Oefening 16.1.
; ; .
Oefening 16.2 ★
Zeg op en vul aan: ; ; ; ; .
Oplossing
Oplossing van Oefening 16.2.
; ; ; ; .
Oefening 16.3 ★
Teken een rechthoek van stippen voor , en daarna een voor . Wat valt je op aan de twee aantallen?
Oplossing
Oplossing van Oefening 16.3.
Beide rechthoeken bevatten dezelfde stippen — de ene is de andere een kwartslag gedraaid: .
Oefening 16.4 ★
Reken uit met de regels van Propositie 16.2: ; ; ; ; .
Oplossing
Oplossing van Oefening 16.4.
; ; ; ; .
Oefening 16.5 ★
Vermenigvuldig cijferend: ; ; .
Oplossing
Oplossing van Oefening 16.5.
; ; .
Oefening 16.6 ★
Reken uit het hoofd door te splitsen (zoals in Voorbeeld 16.5): ; ; .
Oplossing
Oplossing van Oefening 16.6.
; ; .
Oefening 16.7 ★
Reken met een vriendelijk buurgetal: ; ; .
Oplossing
Oplossing van Oefening 16.7.
; ; .
Oefening 16.8 ★
Schat eerst en reken dan uit: (schat met ); (schat met ).
Oplossing
Oplossing van Oefening 16.8.
: schatting ; precies .
: schatting ; precies .
Oefening 16.9 ★
In een eierdoos gaan eieren. Hoeveel eieren zitten er in dozen? Schrijf de bewerking op, reken uit en antwoord met een zin.
Oplossing
Oplossing van Oefening 16.9.
. Er zitten eieren in de dozen.
Oefening 16.10 ★★
In een klaslokaal staan rijen van tafels; aan elke tafel zitten leerlingen. Hoeveel leerlingen kunnen er in het lokaal zitten? (Twee vermenigvuldigingen.)
Oplossing
Oplossing van Oefening 16.10.
Tafels: . Leerlingen: . In het lokaal kunnen leerlingen zitten.
Oefening 16.11 ★★
Zoek alle manieren om stoelen in gelijke rijen te zetten (rijen van , van , …). Welke opstellingen kunnen? (Gebruik de tafelkaart: zoek erin op.)
Oplossing
Oplossing van Oefening 16.11.
komt in de tafelkaart voor als , , , — en als dezelfde paren omgedraaid. Mogelijke opstellingen: rij van , rijen van , rijen van , rijen van , rijen van , rijen van , rijen van , rijen van .
Oefening 16.12 ★★
Zoë rekent zo uit: , , en dan . Léa rekent . Leg beide manieren uit. Welke gebruik je liever voor ? Reken het op beide manieren uit.
Oplossing
Oplossing van Oefening 16.12.
Zoë splitst in (het cijferen in haar hoofd); Léa vervangt door het vriendelijke en verbetert door de die ze te veel heeft geteld weer af te halen. Voor : de manier van Zoë geeft ; de manier van Léa geeft . Beide werken — die van Léa is hier sneller, omdat dicht bij ligt.