Letters staan voor getallen, en rekenen met letters bewijst feiten over alle getallen tegelijk. Dit hoofdstuk oefent uitwerken en ontbinden — inclusief de drie identiteiten die je door de hele wiskunde volgen — en lost eerstegraadsvergelijkingen, productvergelijkingen en eenvoudige ongelijkheden op, altijd één gemotiveerde stap per keer.
66.1 Uitwerken
Definitie 66.1(Uitwerken)
Uitwerken betekent een product omzetten in een som, met distributiviteit:
k(a+b)=ka+kb,(a+b)(c+d)=ac+ad+bc+bd.
Voorbeeld 66.2
Elke term van de eerste haak vermenigvuldigt elke term van de tweede:
Bewijs. Werk elke linkerkant uit. Voor de eerste: (a+b)(a+b)=a2+ab+ba+b2=a2+2ab+b2. Voor de tweede, vervang b door −b in de eerste. Voor de derde: (a+b)(a−b)=a2−ab+ba−b2=a2−b2 (de kruistermen vallen weg). ∎
De identiteit (a+b)2=a2+2ab+b2, gezien als oppervlakten: het grote vierkant met zijde a+b bestaat uit twee vierkanten en twee gelijke rechthoeken. De “2ab” vergeten is de twee rechthoeken vergeten!
verzamel de x-termen aan één kant, de getallen aan de andere, door dezelfde hoeveelheid aan beide kanten op te tellen;
herleid elke kant;
deel beide kanten door de coëfficiënt van x;
controleer de oplossing in de oorspronkelijke vergelijking.
Voorbeeld 66.8
5x−35x−2x3xx=2x+9=9+3=12=4(tel 3−2x op aan beide kanten)(deel door 3).
Controle: 5×4−3=17 en 2×4+9=17. De oplossing is 4.
Met haakjes, werk eerst uit: 3(x−2)=x+8 wordt 3x−6=x+8, dus 2x=14 en x=7.
Stelling 66.9(Nulproductregel)
Een product is nul precies wanneer minstens één factor nul is:
A×B=0⟺A=0 of B=0.
Bewijs. Als een factor nul is, is het product duidelijk nul. Omgekeerd, als AB=0 met A=0, geeft delen van beide kanten door A dat B=0. ∎
Voorbeeld 66.10
Los op (x−3)(2x+10)=0: ofwel x−3=0 ofwel 2x+10=0, dus de oplossingen zijn 3 en −5.
Los op x2−49=0: ontbind eerst, (x−7)(x+7)=0, oplossingen 7 en −7.
Los op x2=3x: deel nooit door x! Verplaats en ontbind: x2−3x=x(x−3)=0, oplossingen 0 en 3.
66.4 Ongelijkheden
Propositie 66.11(Regels voor ongelijkheden)
Een ongelijkheid blijft behouden bij optellen van hetzelfde getal aan beide kanten, en bij vermenigvuldigen van beide kanten met hetzelfde positieve getal. Vermenigvuldigen van beide kanten met een negatief getal keert het ongelijkheidsteken om.
Bewijs. Als a≤b dan b−a≥0. Optellen van c: (b+c)−(a+c)=b−a≥0, dus a+c≤b+c. Vermenigvuldigen met c>0: bc−ac=(b−a)c≥0, dus ac≤bc. Vermenigvuldigen met c<0: (b−a)c≤0, dus ac≥bc: de orde keert om. ∎
Voorbeeld 66.12
Los op 7−2x<15:
7−2x−2xx<15<8>−4(trek 7 af)(deel door −2: keer het teken om).
De oplossingen zijn alle getallen groter dan −4: op een getallenlijn een holle stip bij −4 en arcering naar rechts.
De oplossingen van 7−2x<15: alle x>−4 (holle stip: −4 zelf is geen oplossing).
66.5 Oefeningen
Oefening 66.1★
Werk uit en herleid:
4(3x−2),(x+6)(x+2),(2x−3)(x+5),(x−1)(x−9).
Oplossing
Oplossing van Oefening 66.1.
4(3x−2)=12x−8.
(x+6)(x+2)=x2+2x+6x+12=x2+8x+12.
(2x−3)(x+5)=2x2+10x−3x−15=2x2+7x−15.
(x−1)(x−9)=x2−9x−x+9=x2−10x+9.
Oefening 66.2★
Werk uit met de identiteiten:
(x+8)2,(3x−4)2,(x+10)(x−10),(5x+2)(5x−2).
Oplossing
Oplossing van Oefening 66.2.
(x+8)2=x2+16x+64.
(3x−4)2=9x2−24x+16.
(x+10)(x−10)=x2−100.
(5x+2)(5x−2)=25x2−4.
Oefening 66.3★
Reken uit het hoofd, met een identiteit: 1012; 592 (schrijf 59=60−1); 53×47.
Nulproductregel: 3x+7=0 geeft x=−37, en 3x−3=0 geeft x=1.
Oefening 66.8★★
Los de ongelijkheden op en stel de oplossingen voor op een getallenlijn:
3x−4≥8,5−2x>1,4(x+1)≤x−5.
Oplossing
Oplossing van Oefening 66.8.
3x−4≥8: 3x≥12, dus x≥4 (gevulde stip bij 4, arcering naar rechts).
5−2x>1: −2x>−4, delen door −2 keert het teken om: x<2 (holle stip bij 2, arcering naar links).
4(x+1)≤x−5: 4x+4≤x−5, dus 3x≤−9, dus x≤−3 (gevulde stip bij −3, arcering naar links).
Oefening 66.9★★
Ik denk aan een getal, vermenigvuldig het met 3, tel 7 op, en krijg hetzelfde resultaat als wanneer ik het met 5 vermenigvuldigd en 9 afgetrokken had. Wat is mijn getal? (Stel een vergelijking op en los die op.)
Oplossing
Oplossing van Oefening 66.9.
Laat x het getal zijn: 3x+7=5x−9. Dan 16=2x, dus x=8. Controle: 3×8+7=31 en 5×8−9=31.
Oefening 66.10★★★
Laat n een geheel getal zijn.
Werk (n+1)(n−1) uit en leid af dat het product van de twee buren van n altijd n2−1 is (bijv. 24×26=252−1=624).
Toon dat de som van drie opeenvolgende gehele getallen altijd een veelvoud van 3 is.
Oplossing
Oplossing van Oefening 66.10.
1.(n+1)(n−1)=n2−1 (derde identiteit). De buren van n zijn n−1 en n+1, dus hun product is n2−1: bijv. 24×26=625−1=624.
2. Drie opeenvolgende gehele getallen kunnen geschreven worden als n−1, n, n+1. Hun som is