Mathematics · Boek 1 · Grades 1–9

Wiskunde basisschool en onderbouw

Wiskunde basisschool en onderbouw · Grades 1–9

9Aftrekken

Als er bovenaan te weinig eenheden staan om van af te trekken, breken we een tiental open — het lenen, de spiegel van het onthouden. Dit hoofdstuk legt het uit met stokjes en oefent daarna het cijferend aftrekken, met doortellen als handige kortere weg.

9.1 Waarom we lenen

Voorbeeld 9.1 (Een tiental openbreken)

421742 - 17: we willen 77 eenheden weghalen bij 22 eenheden — te weinig! Maak dus van één van de 44 tientallen tien losse eenheden: bovenaan staan nu 33 tientallen en 1212 eenheden. Wegnemen: 127=512 - 7 = 5 eenheden en 31=23 - 1 = 2 tientallen. Dus 4217=2542 - 17 = 25.

Lenen is openbreken: één tiental wordt tien eenheden, zodat de aftrekking door kan gaan.
Lenen is openbreken: één tiental wordt tien eenheden, zodat de aftrekking door kan gaan.

9.2 Het cijferen

Methode 9.2 (Onder elkaar aftrekken)

  1. Schrijf het grootste getal bovenaan, rechts uitgelijnd;
  2. trek de eenheden af; is het bovenste cijfer te klein, leen dan een tiental (dat wordt tien eenheden in deze kolom);
  3. trek de tientallen af, dan de honderdtallen;
  4. controleer: de uitkomst plus het getal dat je hebt weggenomen moet het bovenste getal teruggeven.

Voorbeeld 9.3

Reken 503168503 - 168 uit:

503 168335\begin{array}{r} 5\,0\,3 \\ -\ 1\,6\,8 \\ \hline 3\,3\,5 \end{array}

Eenheden: 383 - 8 is te klein; leen via de tientallen (die zijn er niet, dus leen eerst bij de honderdtallen): bovenaan staan nu 44 honderdtallen, 99 tientallen en 1313 eenheden. Dan 138=513 - 8 = 5; 96=39 - 6 = 3; 41=34 - 1 = 3. Controle: 335+168=503335 + 168 = 503. ✓

9.3 Doortellen

Methode 9.4 (Aftrekken door door te tellen)

Liggen de getallen dicht bij elkaar, klim dan van het kleine naar het grote en tel de sprongen op:

8378:7880 is 2, 8083 is 3, dus 8378=5.83 - 78: \quad 78 \to 80 \text{ is } 2, \ 80 \to 83 \text{ is } 3, \text{ dus } 83 - 78 = 5 .

Doortellen is sneller dan lenen als de twee getallen dicht bij elkaar liggen — en het is precies hoe een winkelier wisselgeld teruggeeft.

83 - 78 met doortellen: twee sprongen, 2 + 3 = 5.
837883 - 78 met doortellen: twee sprongen, 2+3=52 + 3 = 5.

Voorbeeld 9.5 (Wisselgeld geven)

Een stuk speelgoed kost 3434; je betaalt met 5050. Wisselgeld: tel door, 344034 \to 40 is 66, 405040 \to 50 is 1010, dus je krijgt 1616 terug. Dat is de aftrekking 5034=1650 - 34 = 16, op de manier van de winkelier.

9.4 Oefeningen

Oefening 9.1

Reken uit (zonder lenen): 582358 - 23; 17645176 - 45; 389164389 - 164.

Oplossing

Oplossing van Oefening 9.1.

5823=3558 - 23 = 35; 17645=131176 - 45 = 131; 389164=225389 - 164 = 225.

Oefening 9.2

Reken uit met lenen: 521752 - 17; 732873 - 28; 602460 - 24.

Oplossing

Oplossing van Oefening 9.2.

5217=3552 - 17 = 35; 7328=4573 - 28 = 45; 6024=3660 - 24 = 36.

Oefening 9.3

Trek onder elkaar af en controleer elke uitkomst: 324167324 - 167; 500236500 - 236; 703158703 - 158.

Oplossing

Oplossing van Oefening 9.3.

324167=157324 - 167 = 157 (controle 157+167=324157 + 167 = 324); 500236=264500 - 236 = 264 (controle 264+236=500264 + 236 = 500); 703158=545703 - 158 = 545 (controle 545+158=703545 + 158 = 703).

Oefening 9.4

Reken uit door door te tellen: 625862 - 58; 918591 - 85; 10096100 - 96.

Oplossing

Oplossing van Oefening 9.4.

6258=462 - 58 = 4; 9185=691 - 85 = 6; 10096=4100 - 96 = 4.

Oefening 9.5

Reken het wisselgeld uit (tel door): je betaalt 5050 voor een boek van 4242; 2020 voor speelgoed van 1313; 100100 voor een tas van 7575.

Oplossing

Oplossing van Oefening 9.5.

5042=850 - 42 = 8; 2013=720 - 13 = 7; 10075=25100 - 75 = 25.

Oefening 9.6

“Een boom is 156156 cm hoog. Dit jaar is hij 2828 cm gegroeid. Hoe hoog was hij vorig jaar?” Schrijf de aftrekking en het antwoord.

Oplossing

Oplossing van Oefening 9.6.

Vorig jaar: 15628=128156 - 28 = 128 cm.

Oefening 9.7

Controleer met de tweelingoptelling: 8539=4685 - 39 = 46; klopt dat? 21468=156214 - 68 = 156; klopt dat?

Oplossing

Oplossing van Oefening 9.7.

8539=4685 - 39 = 46: controle 46+39=8546 + 39 = 85 — dat klopt. 21468=156214 - 68 = 156: controle 156+68=224214156 + 68 = 224 \neq 214 — dat klopt niet (de juiste uitkomst is 146146).

Oefening 9.8

Kies bij elk verhaaltje ++ of -: “4747 vogels, 1919 vliegen weg”; “4747 appels, er worden 1919 bij geplukt”; “Sam heeft 4747, Lea heeft 1919: hoeveel heeft Sam er meer?”.

Oplossing

Oplossing van Oefening 9.8.

“vliegen weg”: 4719=2847 - 19 = 28. “er worden 1919 bij geplukt”: 47+19=6647 + 19 = 66. “hoeveel meer”: 4719=2847 - 19 = 28.

Oefening 9.9

Vul het gat in: 63  ?  =4563 - \;?\; = 45. (Tel door van 4545 naar 6363.)

Oplossing

Oplossing van Oefening 9.9.

Van 4545 door naar 6363 is 1818, dus 6318=4563 - 18 = 45: in het gat komt 1818.

Oefening 9.10 ★★

Een spelletje: denk aan een getal, tel er 3030 bij op en haal er dan 1818 af. De uitkomst is 5858. Aan welk getal dacht je? (Reken terug!)

Oplossing

Oplossing van Oefening 9.10.

Reken terug vanaf 5858: voordat er 1818 af ging, was het getal 58+18=7658 + 18 = 76; voordat er 3030 bij kwam, was het 7630=4676 - 30 = 46. Het startgetal was 4646 (controle: 46+3018=5846 + 30 - 18 = 58).