Mathematics · Boek 1 · Grades 1–9

Wiskunde basisschool en onderbouw

Wiskunde basisschool en onderbouw · Grades 1–9

19Meten

Hoe lang, hoe zwaar, hoeveel gaat erin, hoe laat is het? Meten maakt van de wereld getallen — op voorwaarde dat iedereen dezelfde eenheden gebruikt. Dit hoofdstuk laat de eenheden van lengte, massa en inhoud zien, en leert je de klok lezen.

19.1 Lengtes

Definitie 19.1 (Lengte-eenheden)

De basiseenheid van lengte is de meter (m). Voor kleine lengtes: de centimeter (cm) en de millimeter (mm); voor grote afstanden: de kilometer (km).

1 m=100 cm,1 cm=10 mm,1 km=1000 m.1 \text{ m} = 100 \text{ cm}, \qquad 1 \text{ cm} = 10 \text{ mm}, \qquad 1 \text{ km} = 1\,000 \text{ m}.
Een lat lezen: grote streepjes voor centimeters, kleine streepjes voor millimeters. Het voorwerp begint bij het streepje 0 — niet bij de rand van de lat! — en eindigt bij het 6de kleine streepje na de 3.
Een lat lezen: grote streepjes voor centimeters, kleine streepjes voor millimeters. Het voorwerp begint bij het streepje 00 — niet bij de rand van de lat! — en eindigt bij het 66de kleine streepje na de 33.

Voorbeeld 19.2 (De juiste eenheid kiezen)

Een mier: ongeveer 55 mm. Een potlood: ongeveer 1818 cm. Een deur: ongeveer 22 m. Een wandeling naar het volgende dorp: ongeveer 33 km. Zeggen dat “de lengte van een potlood 1818 is” betekent niets — de eenheid hoort bij het antwoord.

Methode 19.3 (Eenheden omzetten)

Om om te zetten, vermenigvuldig of deel je door 1010, 100100 of 10001\,000:

  1. van een grote eenheid naar een kleine: vermenigvuldigen: 33 m =3×100=300= 3 \times 100 = 300 cm;
  2. van een kleine eenheid naar een grote: delen: 250250 cm =250÷100=2= 250 \div 100 = 2 m en 5050 cm;
  3. om lengtes op te tellen, zet je ze eerst in dezelfde eenheid om: 11 m +35+ 35 cm =100+35=135= 100 + 35 = 135 cm.

19.2 Massa’s en inhouden

Definitie 19.4 (Eenheden van massa en inhoud)

Massa’s meet je in grammen (g) en kilogrammen (kg), inhouden (hoeveel er in een bak gaat) in liters (L) en centiliters (cL):

1 kg=1000 g,1 L=100 cL.1 \text{ kg} = 1\,000 \text{ g}, \qquad 1 \text{ L} = 100 \text{ cL}.

Voorbeeld 19.5

Een brief: ongeveer 2020 g. Een zak bloem: 11 kg. Een badkuip: ongeveer 150150 L. Een glas: ongeveer 2020 cL. Om een weegschaal met een zak van 11 kg in evenwicht te brengen met 650650 g appels, leg je er nog 1000650=3501\,000 - 650 = 350 g appels bij.

19.3 De klok lezen

Methode 19.6 (De tijd lezen)

Op een klok met wijzers:

  1. de korte wijzer geeft het uur: lees het getal dat hij het laatst voorbij is;
  2. de lange wijzer geeft de minuten: elk groot streepje is 55 minuten, dus een lange wijzer op de 33 betekent 1515 minuten;
  3. na half kun je ook naar het volgende uur toe lezen: 10:5010{:}50 is “tien voor elf”.
Drie klokken: de korte blauwe wijzer voor de uren, de lange rode wijzer voor de minuten. Om 7:30 staat de uurwijzer tussen 7 en 8; om 10:50 staat hij bijna op de 11.
Drie klokken: de korte blauwe wijzer voor de uren, de lange rode wijzer voor de minuten. Om 7:30 staat de uurwijzer tussen 7 en 8; om 10:50 staat hij bijna op de 11.

Voorbeeld 19.7 (Tijdsduren)

De film begint om 14:4014{:}40 en eindigt om 16:1016{:}10. Hoe lang duurt hij? Tel in twee sprongen:

  1. van 14:4014{:}40 tot 15:0015{:}00: 2020 minuten;
  2. van 15:0015{:}00 tot 16:1016{:}10: 11 uur en 1010 minuten.

Samen: 11 u 3030 min. Pas op: een uur heeft 6060 minuten, dus 16:1016{:}10 min 14:4014{:}40 reken je niet uit als 161014401610 - 1440!

19.4 Oefeningen

Oefening 19.1

Welke eenheid gebruik je (mm, cm, m of km) voor: de breedte van een spijker; de lengte van een klasgenoot; de lengte van het schoolplein; de afstand tussen twee steden?

Oplossing

Oplossing van Oefening 19.1.

Breedte van een spijker: mm. Lengte van een klasgenoot: cm (of m). Schoolplein: m. Afstand tussen steden: km.

Oefening 19.2

Zet om: 55 m in cm; 7070 mm in cm; 44 km in m; 600600 cm in m.

Oplossing

Oplossing van Oefening 19.2.

55 m =500= 500 cm; 7070 mm =7= 7 cm; 44 km =4000= 4\,000 m; 600600 cm =6= 6 m.

Oefening 19.3

Meet met je lat (tot op de millimeter) de zijden van een driehoek die een klasgenoot heeft getekend, en reken de totale lengte van de rand uit.

Oplossing

Oplossing van Oefening 19.3.

Het antwoord hangt af van de driehoek; de totale lengte van de rand is de som van de drie gemeten zijden (dat totaal heet de omtrek, die in Hoofdstuk 28 aan de orde komt).

Oefening 19.4

Reken uit, na eerst om te zetten: 22 m +45+ 45 cm (in cm); 11 km +250+ 250 m (in m); 33 cm +8+ 8 mm (in mm).

Oplossing

Oplossing van Oefening 19.4.

22 m +45+ 45 cm =200+45=245= 200 + 45 = 245 cm.

11 km +250+ 250 m =1000+250=1250= 1\,000 + 250 = 1\,250 m.

33 cm +8+ 8 mm =30+8=38= 30 + 8 = 38 mm.

Oefening 19.5

Zet om: 33 kg in g; 25002\,500 g in kg en g; 44 L in cL; 350350 cL in L en cL.

Oplossing

Oplossing van Oefening 19.5.

33 kg =3000= 3\,000 g; 25002\,500 g =2= 2 kg en 500500 g; 44 L =400= 400 cL; 350350 cL =3= 3 L en 5050 cL.

Oefening 19.6

Een recept vraagt 750750 g bloem. Mona heeft een zak van 11 kg. Heeft ze genoeg? Hoeveel houdt ze over?

Oplossing

Oplossing van Oefening 19.6.

11 kg =1000= 1\,000 g >750> 750 g: ja, ze heeft genoeg, en ze houdt 1000750=2501\,000 - 750 = 250 g over.

Oefening 19.7

Lees de tijden: de korte wijzer staat tussen 22 en 33, de lange wijzer op de 66; de korte wijzer op de 99, de lange wijzer op de 1212; de korte wijzer bijna op de 55, de lange wijzer op de 1010.

Oplossing

Oplossing van Oefening 19.7.

Korte wijzer tussen 22 en 33, lange wijzer op de 66: 2:302{:}30 (half drie). Korte wijzer op 99, lange wijzer op 1212: 9:009{:}00. Korte wijzer bijna op 55, lange wijzer op 1010: 4:504{:}50 (“tien voor vijf” — de uurwijzer heeft de 55 nog niet bereikt).

Oefening 19.8

De school begint om 8:308{:}30 en de ochtend eindigt om 11:4511{:}45. Hoe lang duurt de ochtend? (Tel in sprongen, zoals in Voorbeeld 19.7.)

Oplossing

Oplossing van Oefening 19.8.

Van 8:308{:}30 tot 9:009{:}00: 3030 min; van 9:009{:}00 tot 11:4511{:}45: 22 u 4545 min. Samen: 33 u 1515 min.

Oefening 19.9

De trein vertrekt om 9:509{:}50 en de rit duurt 4545 minuten. Hoe laat komt hij aan? (Spring eerst naar 10:0010{:}00.)

Oplossing

Oplossing van Oefening 19.9.

Van 9:509{:}50 tot 10:0010{:}00: 1010 min; na 10:0010{:}00 blijven er 4510=3545 - 10 = 35 min over. Aankomst: 10:3510{:}35.

Oefening 19.10 ★★

In een fles gaat 11 L. Paul vult glazen van 2020 cL. Hoeveel volle glazen kan hij inschenken? (Zet eerst om.)

Oplossing

Oplossing van Oefening 19.10.

11 L =100= 100 cL, en 100=20×5100 = 20 \times 5: Paul kan 55 volle glazen inschenken.

Oefening 19.11 ★★

Lena loopt elke dag 600600 m naar school, en weer terug. Hoeveel meter loopt ze in een schoolweek van 55 dagen? Geef het antwoord in meters, en daarna in kilometers.

Oplossing

Oplossing van Oefening 19.11.

Per dag: 600+600=1200600 + 600 = 1\,200 m. In vijf dagen: 1200×5=60001\,200 \times 5 = 6\,000 m =6= 6 km.

Begrippen gedefinieerd in dit hoofdstuk

Bekijk alle 395 begrippen in de begrippenlijst