Mathematics · Boek 1 · Grades 1–9

Wiskunde basisschool en onderbouw

Wiskunde basisschool en onderbouw · Grades 1–9

39Breuken: eerste stappen

Drie pizza’s eerlijk verdelen over vier mensen geeft elke persoon … geen heel getal pizza’s. Breuken zijn de getallen die voor het verdelen zijn uitgevonden. Dit hoofdstuk bouwt het beeld op: een breuk als deel van een geheel, als punt op de getallenlijn, en als de precieze uitkomst van een deling.

39.1 Wat een breuk betekent

Definitie 39.1 (Breuk)

Verdeel een eenheid in bb gelijke delen en neem er aa van: de hoeveelheid die je krijgt, is de breuk

aba: de teller — hoeveel delen we nemen;b: de noemer — in hoeveel delen de eenheid verdeeld is.\frac{a}{b} \qquad \begin{array}{l} a \text{: de \emph{teller} --- hoeveel delen we nemen;}\\ b \text{: de \emph{noemer} --- in hoeveel delen de eenheid verdeeld is.} \end{array}
Twee breuken van dezelfde strook. De noemer zegt hoe fijn de verdeling is, de teller hoeveel we nemen.
Twee breuken van dezelfde strook. De noemer zegt hoe fijn de verdeling is, de teller hoeveel we nemen.

Voorbeeld 39.2

Een breuk kan groter zijn dan 11: 74\frac74 betekent zeven kwarten — één hele eenheid (vier kwarten) en drie kwarten erbij:

74=1+34.\frac74 = 1 + \frac34 .

Propositie 39.3 (Breuken op de getallenlijn)

Om ab\frac ab op de getallenlijn te plaatsen, verdeel je elk stuk van 00 tot 11 in bb gelijke delen en tel je aa delen af vanaf 00.

De lijn met streepjes per kwart: 3/4 ligt voor 1, 7/4 ligt tussen 1 en 2, en 22/4 = 5 + 2/4 ligt halverwege tussen 5 en 6.
De lijn met streepjes per kwart: 34\frac34 ligt voor 11, 74\frac74 ligt tussen 11 en 22, en 224=5+24\frac{22}{4} = 5 + \frac24 ligt halverwege tussen 55 en 66.

Stelling 39.4 (Een breuk is een deling)

De breuk ab\frac ab is het getal dat, vermenigvuldigd met bb, aa geeft:

ab×b=a.\frac ab \times b = a .

Met andere woorden: ab\frac ab is het precieze quotiënt van aa door bb — ook als de deling “niet uitkomt”.

Bewijs. Op dit niveau zonder bewijs aangenomen.

Voorbeeld 39.5

Drie pizza’s voor vier mensen: ieder krijgt 34\frac34 pizza. Controleer met de stelling: 44 porties van 34\frac34 maken 34×4=3\frac34 \times 4 = 3 pizza’s. Sommige breuken zijn decimale getallen (34=0.75\frac34 = 0.75), andere niet: 13=0.333\frac13 = 0.333\dots houdt nooit op. De breuk is de precieze waarde; 0.330.33 is slechts een benadering.

39.2 Gelijke breuken

Propositie 39.6 (Gelijkwaardige breuken)

Een breuk verandert niet als je haar teller en noemer beide met hetzelfde getal (niet nul) vermenigvuldigt of erdoor deelt:

ab=a×kb×k.\frac{a}{b} = \frac{a \times k}{b \times k} .

Idee van het bewijs. Elk deel van de verdeling in kk kleinere stukjes knippen vermenigvuldigt zowel het aantal genomen stukjes als het totale aantal stukjes met kk, maar de genomen hoeveelheid blijft dezelfde. Een plaatje zegt het het best:

2/3 = 4/6: elk derde in twee knippen verdubbelt de aantallen boven en onder, zonder de gekleurde hoeveelheid te veranderen.
23=46\frac23 = \frac46: elk derde in twee knippen verdubbelt de aantallen boven en onder, zonder de gekleurde hoeveelheid te veranderen.

Methode 39.7 (Een breuk vereenvoudigen)

Zoek een getal dat de teller en de noemer deelt, en deel beide erdoor. Herhaal dat tot er geen gemeenschappelijke deler meer over is:

1218=12÷218÷2=69=6÷39÷3=23.\frac{12}{18} = \frac{12 \div 2}{18 \div 2} = \frac{6}{9} = \frac{6 \div 3}{9 \div 3} = \frac{2}{3}.

39.3 Een breuk van een hoeveelheid nemen

Methode 39.8 (Breuk van een hoeveelheid)

Om ab\frac ab van een hoeveelheid te berekenen, deel je de hoeveelheid door bb (één deel) en vermenigvuldig je met aa (het aantal delen):

ab van Q=(Q÷b)×a.\frac ab \text{ van } Q = (Q \div b) \times a .

(Eerst met aa vermenigvuldigen en dan door bb delen geeft dezelfde uitkomst — kies de volgorde waarbij de getallen het mooist blijven.)

Voorbeeld 39.9

Reken 35\frac35 van 4040 euro uit, stap voor stap:

  1. een vijfde van 4040: 40÷5=840 \div 5 = 8;
  2. drie vijfden: 8×3=248 \times 3 = 24.

Dus 35\frac35 van 4040 euro is 2424 euro. Controle: de overige 25\frac25 is 1616 euro, en 24+16=4024 + 16 = 40.

39.4 Oefeningen

Oefening 39.1

Schrijf bij elke beschrijving de breuk op: een cake in 88 stukken gesneden waarvan 33 opgegeten; een chocoladereep van 1212 blokjes waarvan 77 opgegeten; een taart in 66 stukken waarvan alle 66 opgegeten.

Oplossing

Oplossing van Oefening 39.1.

Cake: 38\frac38 opgegeten. Chocolade: 712\frac{7}{12}. Taart: 66=1\frac66 = 1 (de hele taart).

Oefening 39.2

Teken een strook in 55 gelijke delen en kleur er 45\frac45 van in. Is 45\frac45 kleiner of groter dan 11? En 65\frac65?

Oplossing

Oplossing van Oefening 39.2.

Vier van de vijf delen zijn gekleurd. 45<1\frac45 < 1 (vier van de vijf delen is minder dan de hele strook); 65>1\frac65 > 1 (zes vijfden is één hele strook en een vijfde erbij).

Oefening 39.3

Zet op een getallenlijn met streepjes per derde: 13\frac13; 53\frac53; 22; 73\frac73. Welke twee van deze getallen liggen even ver van 22?

Oplossing

Oplossing van Oefening 39.3.

Op de lijn met streepjes per derde: 13\frac13 ligt één streepje na 00; 53\frac53 ligt één streepje voor 22 (want 2=632 = \frac63); 73\frac73 ligt één streepje na 22. Dus liggen 53\frac53 en 73\frac73 beide op afstand 13\frac13 van 22.

Oefening 39.4

Schrijf elke breuk als een heel getal plus een breuk kleiner dan 11 (zoals bij 74=1+34\frac74 = 1 + \frac34):

94,135,126,258.\frac{9}{4}, \qquad \frac{13}{5}, \qquad \frac{12}{6}, \qquad \frac{25}{8} .
Oplossing

Oplossing van Oefening 39.4.

94=2+14\frac94 = 2 + \frac14; 135=2+35\frac{13}{5} = 2 + \frac35; 126=2\frac{12}{6} = 2 (precies); 258=3+18\frac{25}{8} = 3 + \frac18.

Oefening 39.5

Vul aan zodat de breuken gelijk zijn:

23=?12,1520=3?,710=21?,?6=1012.\frac{2}{3} = \frac{?}{12}, \qquad \frac{15}{20} = \frac{3}{?}, \qquad \frac{7}{10} = \frac{21}{?}, \qquad \frac{?}{6} = \frac{10}{12}.
Oplossing

Oplossing van Oefening 39.5.

23=812\frac23 = \frac{8}{12} (met 44 vermenigvuldigd); 1520=34\frac{15}{20} = \frac34 (door 55 gedeeld); 710=2130\frac{7}{10} = \frac{21}{30} (met 33 vermenigvuldigd); 56=1012\frac56 = \frac{10}{12} (door 22 gedeeld).

Oefening 39.6

Vereenvoudig zo veel mogelijk: 68\dfrac{6}{8}; 1525\dfrac{15}{25}; 1824\dfrac{18}{24}; 357\dfrac{35}{7}.

Oplossing

Oplossing van Oefening 39.6.

68=34\frac68 = \frac34; 1525=35\frac{15}{25} = \frac35; 1824=912=34\frac{18}{24} = \frac{9}{12} = \frac34; 357=5\frac{35}{7} = 5 (een heel getal).

Oefening 39.7

Reken uit: 12\frac12 van 8686; 34\frac34 van 6060; 25\frac25 van 3535; 710\frac{7}{10} van 250250.

Oplossing

Oplossing van Oefening 39.7.

12\frac12 van 8686: 86÷2=4386 \div 2 = 43.

34\frac34 van 6060: 60÷4=1560 \div 4 = 15, dan 15×3=4515 \times 3 = 45.

25\frac25 van 3535: 35÷5=735 \div 5 = 7, dan 7×2=147 \times 2 = 14.

710\frac{7}{10} van 250250: 250÷10=25250 \div 10 = 25, dan 25×7=17525 \times 7 = 175.

Oefening 39.8

Wat is groter: 12\frac12 of 13\frac13 (van dezelfde cake)? 25\frac25 of 35\frac35? 34\frac34 of 78\frac78 (schrijf beide met noemer 88)?

Oplossing

Oplossing van Oefening 39.8.

12>13\frac12 > \frac13: helften zijn grotere delen dan derden. 35>25\frac35 > \frac25: dezelfde delen, en meer ervan. 34=68<78\frac34 = \frac68 < \frac78: zeven achtsten verslaan zes achtsten.

Oefening 39.9 ★★

Geef de decimale waarde van de breuken die er een hebben, en zeg welke breuk er geen heeft: 12\frac12; 34\frac34; 13\frac13; 710\frac{7}{10}; 94\frac{9}{4}.

Oplossing

Oplossing van Oefening 39.9.

12=0.5\frac12 = 0.5; 34=0.75\frac34 = 0.75; 710=0.7\frac{7}{10} = 0.7; 94=2.25\frac94 = 2.25. De uitzondering is 13=0.333\frac13 = 0.333\dots, waarvan de decimale schrijfwijze nooit ophoudt: dat is geen decimaal getal.

Oefening 39.10 ★★

Een klas heeft 2828 leerlingen. Driekwart van hen komt met de bus naar school, de rest komt lopend. Hoeveel leerlingen komen lopend? Los stap voor stap op, en controleer dat je twee groepen samen 2828 zijn.

Oplossing

Oplossing van Oefening 39.10.

Met de bus: 34\frac34 van 2828: 28÷4=728 \div 4 = 7, dan 7×3=217 \times 3 = 21 leerlingen. Lopend: 2821=728 - 21 = 7 leerlingen (dat is het overblijvende kwart: 28÷4=728 \div 4 = 7). Controle: 21+7=2821 + 7 = 28.

Oefening 39.11 ★★

Leo gaf 23\frac23 van zijn spaargeld aan een spel van 1818 euro. Hoeveel geld had Leo daarvoor? (Een derde van zijn spaargeld is de helft van 1818 … denk na over waarom, of zoek eerst de grootte van één deel.)

Oplossing

Oplossing van Oefening 39.11.

Twee derde van het spaargeld is 1818 euro, dus is één derde 18÷2=918 \div 2 = 9 euro, en was het hele spaargeld (drie derden) 9×3=279 \times 3 = 27 euro. Controle: 23\frac23 van 2727 is 1818.

Oefening 39.12 ★★★

Een tank is tot 58\frac58 van zijn inhoud gevuld. Na het gebruik van 1010 liter is hij half vol. Wat is de inhoud van de tank? (Welke breuk van de tank zijn die 1010 liter?)

Oplossing

Oplossing van Oefening 39.12.

Het water ging van 58\frac58 naar 48\frac48 (een helft is vier achtsten) van de tank: die 1010 liter is dus 5848=18\frac58 - \frac48 = \frac18 van de inhoud. De volle tank bevat dus 10×8=8010 \times 8 = 80 liter. Controle: 58\frac58 van 8080 is 5050, min 1010 blijft 4040, en dat is inderdaad de helft van 8080.

39.5 Opgave: de chocoladereep die nooit opgaat

Probleem 39.1

Weekendopgave — helften van helften: de som 12+14+18+\frac12 + \frac14 + \frac18 + \dots kruipt naar 11 zonder hem ooit te raken

Neem een chocoladereep. Eet er de helft van op. Eet dan de helft van wat er over is. En dan weer de helft van wat er over is, en zo verder. Twee dingen lijken tegelijk waar: je krijgt de reep nooit op (er blijft altijd iets over), en toch eet je bijna alles op. In deze opgave maak je van beide gevoelens precieze uitspraken over breuken — en ontmoet je onderweg een hardloper uit het oude Griekenland en een verdeelpuzzel die je oplost met een mes dat alleen maar kan halveren.

Deel I — Helften van helften. De reep is een rechthoek van 1616 gelijke blokjes.

  1. Eerste hap: je eet de helft van de reep. Hoeveel blokjes zijn dat? Schrijf de hap op twee manieren als breuk van de reep, met noemer 22 en met noemer 1616 (Propositie 39.6).
  2. Tweede hap: de helft van wat er over is. Hoeveel blokjes? Laat met het plaatje of met gelijkwaardige breuken zien dat deze hap 14\frac14 van de hele reep is: de helft van een helft is een kwart.
  3. Derde en vierde hap, met dezelfde regel: geef elke hap in blokjes en als breuk van de reep. Wat gebeurt er van de ene hap naar de volgende met de noemer?
  4. Hoeveel blokjes zijn er na de vier happen in totaal opgegeten? Welke breuk van de reep is dat, en welke breuk blijft over?
  5. Vraag 4 zegt, in zestienden geschreven:

    816+416+216+116=1516,dus12+14+18+116=1516.\frac{8}{16} + \frac{4}{16} + \frac{2}{16} + \frac{1}{16} = \frac{15}{16}, \qquad\text{dus}\qquad \frac12 + \frac14 + \frac18 + \frac{1}{16} = \frac{15}{16} .

    Controleer elk van de vier herschrijvingen (12=816\frac12 = \frac{8}{16}, en zo verder).

Deel II — De trap naar 11. Stel je, om verder te kunnen happen, een fijnere reep van 6464 blokjes voor.

  1. Noem de grootte van de eerste zes happen in blokjes (3232, dan …) en controleer dat er na de zesde hap precies één blokje over is. Welke breuk van de reep blijft er over?
  2. Welke breuk van de reep blijft er na elke hap over? Schrijf het rijtje op (12\frac12, 14\frac14, …) tot de zesde hap, en beschrijf het patroon. Als een verbeeld mes zelfs het laatste blokje kon halveren, wat zou er dan na een zevende hap overblijven?
  3. Leg uit waarom het opgegeten totaal nooit 11 kan bereiken, hoe vaak je ook hapt. (Vergelijk met de twintig negens van Probleem 38.1: hetzelfde verhaal?)
  4. En toch komt het totaal voorbij elk doel onder 11. Een vriend daagt je uit om meer dan 99100\frac{99}{100} van de reep op te eten. Wat is kleiner, 1128\frac{1}{128} of 1100\frac{1}{100} — en na welke hap is de uitdaging gewonnen?
  5. Zet op een getallenlijn van 00 tot 11 met streepjes per zestiende de opgegeten totalen na elk van de eerste vier happen: 12\frac12, 34\frac34, 78\frac78, 1516\frac{15}{16}. Waar landt elk nieuw totaal, vergeleken met het vorige en met 11?

Deel III — De hardloper van Zeno, en een mes dat alleen halveert.

  1. Vierentwintig eeuwen geleden vertelde de Griekse filosoof Zeno dit verhaal: om een muur te bereiken, moet een hardloper eerst de helft van de afstand afleggen, dan de helft van wat overblijft, dan weer de helft van wat overblijft … “dus bereikt de hardloper de muur nooit!” Zeg met de vragen 8 en 9 wat er juist is in het verhaal van Zeno, en waar de valstrik zit. (Heeft de hardloper echt eindeloos veel tijd nodig voor al die stappen?)
  2. De verdeelpuzzel: verdeel 1515 identieke chocoladereepjes eerlijk over 1616 kinderen, met alleen halveringen (van een reep, van een halve reep, van een kwart reep …). Beschrijf hoe je snijdt: hoeveel reepjes worden in helften gesneden, hoeveel in kwarten, in achtsten, in zestienden, zodat elk kind één stuk van elke maat krijgt.
  3. Controleer je verdeling: schrijf het deel van elk kind als een som van breuken, reken het in zestienden uit, en ga na dat de 1616 delen samen precies de 1515 reepjes opgebruiken.
  4. In de klas ernaast worden 77 reepjes eerlijk over 88 kinderen verdeeld. Welk kind krijgt meer chocolade — een van de 1616 of een van de 88? (Schrijf beide delen met noemer 1616, Oefening 39.8.)
  5. De finale: een vriendin beweert dat je met oneindig veel happen precies de hele reep zou opeten. Teken een vierkant en kleur de happen erin: de helft van het vierkant, dan een kwart, dan een achtste … Wat valt je op aan het niet-gekleurde hoekje? Formuleer zorgvuldig de twee ware feiten van deze hele opgave: wat er na elk eindig aantal happen overblijft, en hoe klein die rest wordt. (Wat een “oneindige som” precies betekent, is een verhaal voor het bovenbouwvolume.)
Oplossing

Oplossing van Probleem 39.1.

1. De helft van 1616 blokjes is 88 blokjes. Als breuk: 12\frac12 van de reep, en omdat elke helft 88 van de 1616 blokjes is, ook 816\frac{8}{16} — dezelfde breuk, op twee manieren geschreven (Propositie 39.6).

2. De helft van de 88 overgebleven blokjes is 44 blokjes, en dat is 416\frac{4}{16} van de reep. Vereenvoudigd door 44: 416=14\frac{4}{16} = \frac14. Op het plaatje: de overgebleven helft in twee knippen geeft twee kwarten van de oorspronkelijke reep — de helft van een helft is een kwart.

3. Derde hap: de helft van 44 blokjes is 22 blokjes, dus 216=18\frac{2}{16} = \frac18 van de reep. Vierde hap: 11 blokje, dus 116\frac{1}{16}. Van de ene hap naar de volgende verdubbelt de noemer: 22, 44, 88, 1616.

4. Opgegeten: 8+4+2+1=158 + 4 + 2 + 1 = 15 van de 1616 blokjes, dus 1516\frac{15}{16} van de reep. Over: 11 blokje, 116\frac{1}{16}.

5. 12=816\frac12 = \frac{8}{16} (teller en noemer met 88 vermenigvuldigd), 14=416\frac14 = \frac{4}{16} (met 44), 18=216\frac18 = \frac{2}{16} (met 22), en 116\frac{1}{16} blijft staan. In zestienden geteld: 8+4+2+1=158 + 4 + 2 + 1 = 15 ervan, dus is het totaal 1516\frac{15}{16}.

6. Happen: 3232, 1616, 88, 44, 22, 11 blokjes. Totaal opgegeten: 32+16+8+4+2+1=6332 + 16 + 8 + 4 + 2 + 1 = 63 blokjes, dus blijft er 11 blokje over: 164\frac{1}{64} van de reep.

7. Na elke hap blijft er

12,14,18,116,132,164\frac12,\quad \frac14,\quad \frac18,\quad \frac{1}{16},\quad \frac{1}{32},\quad \frac{1}{64}

over: de rest halveert elke keer — haar noemer verdubbelt. Een zevende, verbeelde hap zou 1128\frac{1}{128} overlaten.

8. Elke hap eet maar de helft van wat er over is, dus staat de andere helft van de rest er nog: na elk aantal happen blijft er altijd iets over. Het opgegeten totaal blijft dus altijd onder 11 — precies zoals de twintig negens van Probleem 38.1, die steeds dichter bij 33 komen zonder het te bereiken.

9. Beide breuken hebben teller 11, en in 128128 delen knippen geeft kleinere delen dan in 100100 delen knippen: dus 1128<1100\frac{1}{128} < \frac{1}{100}. Na de zevende hap is de rest 1128\frac{1}{128}, en dus is het opgegeten deel meer dan 11100=991001 - \frac{1}{100} = \frac{99}{100}: bij hap zeven is de uitdaging gewonnen.

10. In zestienden zijn de totalen 816\frac{8}{16}, 1216\frac{12}{16}, 1416\frac{14}{16}, 1516\frac{15}{16}. Elk nieuw totaal landt precies halverwege tussen het vorige totaal en 11: de trap halveert steeds de afstand die nog naar 11 overblijft, zonder er ooit op te stappen.

11. Wat juist is: in elke fase van Zeno’s beschrijving blijft er inderdaad een stukje afstand over (vraag 8) — de lijst fasen houdt nooit op. De valstrik: de fasen worden extreem kort, in afstand en in looptijd; de hardloper doet niet over elke fase even lang. Dat je de loop in oneindig veel krimpende stukjes beschrijft, maakt de loop zelf niet eindeloos: de hardloper bereikt de muur, en vraag 9 laat zien dat de beschrijving elk punt vóór de muur voorbijgaat.

12. Snijd 88 reepjes in helften: 1616 halve stukken. Snijd 44 reepjes in kwarten: 1616 kwartstukken. Snijd 22 reepjes in achtsten: 1616 achtste stukken. Snijd het laatste reepje in zestienden: 1616 kleine stukjes. Dat gebruikt 8+4+2+1=158 + 4 + 2 + 1 = 15 reepjes, en elk kind krijgt één stuk van elke maat.

13. Het deel van elk kind is

12+14+18+116=1516\frac12 + \frac14 + \frac18 + \frac{1}{16} = \frac{15}{16}

van een reep (vraag 5). Zestien zulke delen maken 16×1516=1516 \times \frac{15}{16} = 15 reepjes (Stelling 39.4): precies wat er gesneden is, zonder rest — een eerlijke verdeling van 1515 reepjes over 1616 kinderen, met alleen halveringen.

14. De buren krijgen elk 78\frac78 reep. Met noemer 1616: 78=1416\frac78 = \frac{14}{16}, terwijl onze kinderen 1516\frac{15}{16} krijgen. Een kind van de 1616 krijgt dus meer: 1516>1416\frac{15}{16} > \frac{14}{16}, en wel één zestiende reep.

15. In het vierkantsplaatje vult elke gekleurde hap de helft van het nog ongekleurde hoekje, en blijft dat hoekje krimpen: na elke hap is het half zo groot als daarvoor, en het verdwijnt nooit. De twee ware feiten: (i) na elk eindig aantal happen blijft er een rest — het opgegeten totaal is altijd strikt kleiner dan 11; (ii) die rest wordt kleiner dan elke breuk die je maar wilt noemen (1100\frac{1}{100}, 11000\frac{1}{1000}, …), als je lang genoeg hapt. De woorden “de oneindige som is gelijk aan 11” hun precieze betekenis geven, is het werk van de limieten, in het bovenbouwvolume.

Begrippen gedefinieerd in dit hoofdstuk

Bekijk alle 395 begrippen in de begrippenlijst