Mathematics · Boek 1 · Grades 1–9

Wiskunde basisschool en onderbouw

Wiskunde basisschool en onderbouw · Grades 1–9

24Eerste breuken

De helft van een appel, een kwartier, driekwart van de klas: breuken geven de stukken van dingen een naam. In dit hoofdstuk komt de schrijfwijze ab\frac{a}{b} aan de orde, lezen we breuken op plaatjes en op de getallenlijn, en vergelijken we de eenvoudigste. (Breuken worden groot in Hoofdstuk 39.)

24.1 De stukken een naam geven

Definitie 24.1 (Breuk)

Verdeel een geheel in gelijke delen en neem er een paar — dat is een breuk:

343: hoeveel delen je neemt (de teller);4: in hoeveel gelijke delen het geheel is verdeeld (de noemer).\frac{3}{4} \quad \begin{array}{l} 3 \text{: hoeveel delen je neemt (de \emph{teller});}\\ 4 \text{: in hoeveel gelijke delen het geheel is verdeeld (de \emph{noemer}).} \end{array}

12\frac12 is een helft, 13\frac13 een derde, 14\frac14 een kwart, 110\frac{1}{10} een tiende.

Breuken lezen op plaatjes. De delen moeten gelijk zijn: drie ongelijke stukken zijn geen derden!
Breuken lezen op plaatjes. De delen moeten gelijk zijn: drie ongelijke stukken zijn geen derden!

Voorbeeld 24.2 (Breuken van een groep)

13\frac13 van 1212 knikkers: verdeel de 1212 knikkers over 33 gelijke groepjes van 44; één groepje is 13\frac13, dus 13\frac13 van 1212 is 44 — en 23\frac23 van 1212 zijn twee groepjes, dus 88.

24.2 Breuken op de getallenlijn

Methode 24.3 (ab\frac{a}{b} plaatsen)

Verdeel elke eenheid van de lijn in bb gelijke stapjes; loop vanaf 00 aa stapjes. Is aa groter dan bb, dan kom je voorbij 11: breuken kunnen groter zijn dan één geheel!

De lijn in kwarten verdeeld: 2/4 komt op hetzelfde punt uit als 1/2; 5/4 ligt één kwart voorbij 1; 11/4 is 2 en 3/4.
De lijn in kwarten verdeeld: 24\frac24 komt op hetzelfde punt uit als 12\frac12; 54\frac54 ligt één kwart voorbij 11; 114\frac{11}{4} is 22 en 34\frac34.

Voorbeeld 24.4 (Hele getallen verstopt in breuken)

44=1\frac44 = 1 (vier kwarten maken het geheel); 82=4\frac82 = 4; 123=4\frac{12}{3} = 4. En 74\frac74 is 1+341 + \frac34: één geheel en drie kwarten erbij.

24.3 Eenvoudige breuken vergelijken en optellen

Propositie 24.5 (Dezelfde noemer)

Bij dezelfde noemer zijn de stukken even groot — dan hoef je ze alleen te tellen:

28<58,38+48=78.\frac{2}{8} < \frac{5}{8}, \qquad \frac{3}{8} + \frac{4}{8} = \frac{7}{8}.

Vergelijken met één geheel gaat ook makkelijk: 58<1<98\frac{5}{8} < 1 < \frac{9}{8} (minder, en dan meer, dan 88 achtsten).

Waarom, op een plaatje. Als je 33 achtsten van een strook inkleurt en daarna nog 44 achtsten van dezelfde strook, is er in totaal 77 achtsten ingekleurd.

Voorbeeld 24.6 (Verschillende noemers, hetzelfde punt)

Op de getallenlijn komen 12\frac12, 24\frac24 en 510\frac{5}{10} allemaal op hetzelfde punt uit: het zijn drie namen voor hetzelfde getal. Elke helft in twee stukken knippen geeft kwarten; in vijf stukken, tienden. (De algemene regel staat in Hoofdstuk 39.)

Voorbeeld 24.7 (Kwartieren)

Een uur heeft 6060 minuten, dus een kwart van een uur is 60÷4=1560 \div 4 = 15 minuten, en driekwart uur is 4545 minuten. “Half drie” is 12\frac12 uur na twee uur.

24.4 Oefeningen

Oefening 24.1

Schrijf de breuk op die je ziet: een pizza in 66 stukken gesneden waarvan er 55 over zijn; een chocoladereep van 88 blokjes waarvan er 33 zijn opgegeten (de opgegeten breuk); een vlag in 33 gelijke verticale banen waarvan 11 gekleurd is.

Oplossing

Oplossing van Oefening 24.1.

Pizza: 56\frac56 is over. Chocolade: 38\frac38 opgegeten. Vlag: 13\frac13 gekleurd.

Oefening 24.2

Teken een strook in 55 gelijke delen en kleur 35\frac35 in. Kleur daarna 25\frac{2}{5} van een even grote strook in. Welke gekleurde stukken zijn groter?

Oplossing

Oplossing van Oefening 24.2.

35\frac35 kleurt drie delen in, 25\frac25 maar twee: 35\frac35 geeft het grootste gekleurde stuk.

Oefening 24.3

Reken uit: 12\frac12 van 1818; 14\frac14 van 2020; 13\frac13 van 2121; 34\frac34 van 2020 (drie groepjes van een kwart).

Oplossing

Oplossing van Oefening 24.3.

Helft van 1818: 99. Kwart van 2020: 55. Derde van 2121: 77. 34\frac34 van 2020: drie kwarten, 3×5=153 \times 5 = 15.

Oefening 24.4

Zet op een getallenlijn die in derden verdeeld is: 13\frac13; 33\frac33; 53\frac53; 22. Welke breuk komt precies op 22 uit?

Oplossing

Oplossing van Oefening 24.4.

13\frac13: één stapje; 33\frac33: op 11; 53\frac53: twee stapjes voorbij 11. De breuk die precies op 22 uitkomt, is 63\frac63.

Oefening 24.5

Neem over en vul in met <<, >> of ==:

38  ?  68,55  ?  1,74  ?  1,12  ?  24.\frac38 \;?\; \frac68, \qquad \frac55 \;?\; 1, \qquad \frac74 \;?\; 1, \qquad \frac12 \;?\; \frac24 .
Oplossing

Oplossing van Oefening 24.5.

38<68\frac38 < \frac68; 55=1\frac55 = 1; 74>1\frac74 > 1; 12=24\frac12 = \frac24.

Oefening 24.6

Reken uit: 26+36\frac26 + \frac36; 5828\frac58 - \frac28; 14+24\frac14 + \frac24; 1131 - \frac13 (hoeveel derden maken 11?).

Oplossing

Oplossing van Oefening 24.6.

26+36=56\frac26 + \frac36 = \frac56; 5828=38\frac58 - \frac28 = \frac38; 14+24=34\frac14 + \frac24 = \frac34; 1=331 = \frac33, dus 113=231 - \frac13 = \frac23.

Oefening 24.7

Schrijf als een heel getal plus een breuk kleiner dan 11: 54\frac54; 73\frac73; 92\frac{9}{2}.

Oplossing

Oplossing van Oefening 24.7.

54=1+14\frac54 = 1 + \frac14; 73=2+13\frac73 = 2 + \frac13; 92=4+12\frac92 = 4 + \frac12.

Oefening 24.8

Hoeveel minuten zijn: een half uur; een kwart van een uur; driekwart uur; 13\frac13 van een uur?

Oplossing

Oplossing van Oefening 24.8.

Een half uur: 3030 min. Een kwart: 1515 min. Driekwart: 4545 min. Een derde: 2020 min.

Oefening 24.9

In een klas van 2424 leerlingen draagt 14\frac14 een bril. Hoeveel leerlingen dragen een bril? En hoeveel niet?

Oplossing

Oplossing van Oefening 24.9.

14\frac14 van 2424 is 66 leerlingen met een bril; 246=1824 - 6 = 18 zonder.

Oefening 24.10 ★★

Nina heeft 38\frac38 van een pizza opgegeten en Sam 48\frac48 van dezelfde pizza. Welke breuk hebben ze samen opgegeten? Welke breuk blijft over? Wie heeft er meer gegeten?

Oplossing

Oplossing van Oefening 24.10.

Samen: 38+48=78\frac38 + \frac48 = \frac78. Over: 18\frac18. Sam heeft er meer gegeten (44 achtsten tegen 33).

Oefening 24.11 ★★

Waar of niet waar, met een plaatje of een voorbeeld: “het kan dat 12\frac12 van een kleine pizza minder is dan 14\frac14 van een heel grote pizza”. Wat moet je altijd weten voordat je twee breuken van iets vergelijkt?

Oplossing

Oplossing van Oefening 24.11.

Dat kan inderdaad: de helft van een kleine pizza kan minder eten zijn dan een kwart van een reuzenpizza. Breuken vergelijken delen van hetzelfde geheel; voordat je 12\frac12 en 14\frac14 “van iets” vergelijkt, moet je weten dat die twee gehelen even groot zijn.

Begrippen gedefinieerd in dit hoofdstuk

Bekijk alle 395 begrippen in de begrippenlijst