Mathematics · Boek 1 · Grades 1–9

Wiskunde basisschool en onderbouw

Wiskunde basisschool en onderbouw · Grades 1–9

28Maten en omtrek

In jaar 3 maten we met latten, weegschalen en klokken (Hoofdstuk 19); in dit hoofdstuk komt de maattabel erbij — de machine die alles omzet — en twee manieren om een vlakke figuur te meten: de lengte van haar rand (de omtrek) en de ruimte erbinnen (de oppervlakte, voorlopig geteld in vakjes).

28.1 De maattabel

Methode 28.1 (Omzetten met de tabel)

Bij lengtes is elke kolom tien keer de volgende waard:

kmhmdammdmcmmm
334400
  1. Schrijf het getal met één cijfer per kolom, en zet het cijfer van de eenheden van de maat in de kolom van zijn eenheid (hier 3.43.4 m: de 33 onder m);
  2. lees het getal in de nieuwe eenheid: 3.43.4 m =340= 340 cm (vul lege kolommen met nullen);
  3. massa’s (kg … g) en inhouden (L … cL) werken op dezelfde manier.

Voorbeeld 28.2

55 km =5000= 5\,000 m; 270270 cm =2.7= 2.7 m (de 22 komt onder m); 33 kg 250250 g =3250= 3\,250 g; 2.52.5 L =250= 250 cL.

28.2 Omtrek

Definitie 28.3 (Omtrek)

De omtrek van een veelhoek is de totale lengte van zijn rand: tel de lengtes van alle zijden op (in dezelfde eenheid!). Voor de bekende figuren zijn er kortere formules:

rechthoek: P=2×(l+b),vierkant: P=4×z.\text{rechthoek: } P = 2 \times (l + b), \qquad \text{vierkant: } P = 4 \times z .

Voorbeeld 28.4

Een rechthoekige tuin van 1212 m bij 77 m:

P=2×(12+7)=2×19=38 mP = 2 \times (12 + 7) = 2 \times 19 = 38 \text{ m}

hek. Een vierkante fotolijst met zijde 1818 cm: P=4×18=72P = 4 \times 18 = 72 cm.

28.3 Oppervlakte: vakjes tellen

Definitie 28.5 (Oppervlakte door te tellen)

De oppervlakte van een figuur op een raster is het aantal rastervakjes dat ze bedekt. Twee halve vakjes tellen als één. De oppervlakte antwoordt op “hoeveel oppervlak”, de omtrek op “hoe lang is de rand” — twee verschillende vragen!

Twee figuren op het raster: oppervlaktes 8 en 6 vakjes. Loop nu de randen af en tel de eenheden: 12 voor beide! Dezelfde omtrek, verschillende oppervlaktes.
Twee figuren op het raster: oppervlaktes 88 en 66 vakjes. Loop nu de randen af en tel de eenheden: 1212 voor beide! Dezelfde omtrek, verschillende oppervlaktes.

Voorbeeld 28.6 (Halve vakjes)

Een rechthoekige driehoek op het raster met rechthoekszijden 44 en 22 bedekt 33 hele vakjes en 22 halve … tel zorgvuldig: haar oppervlakte is de helft van de rechthoek 4×24 \times 2, dus 44 vakjes. Een rechthoek langs zijn diagonaal knippen geeft altijd twee driehoeken met dezelfde oppervlakte.

Voorbeeld 28.7 (Zelfde oppervlakte, andere omtrek)

Een vierkant van 4×44 \times 4 en een rechthoek van 8×28 \times 2 bedekken beide 1616 vakjes — dezelfde oppervlakte. Randen: 1616 eenheden voor het vierkant, 2020 voor de rechthoek. Geen van de twee maten bepaalt de andere: een lange dunne vorm heeft veel rand bij weinig oppervlak.

28.4 Tijdsduren

Methode 28.8 (Tijden optellen over het hele uur)

Om tijdsduren op te tellen of af te trekken, werk je met sprongen via de hele uren (denk aan 11 u =60= 60 min):

9 u 40+35 min:9 u 40+2010 u 00+1510 u 15.9\text{ u }40 + 35 \text{ min}: \quad 9\text{ u }40 \xrightarrow{+20} 10\text{ u }00 \xrightarrow{+15} 10\text{ u }15 .

Tel nooit minuten voorbij 6060 op zonder om te zetten: 40+35=7540 + 35 = 75 min =1= 1 u 1515 min.

Voorbeeld 28.9

De trein vertrekt om 8:478{:}47 en komt aan om 11:0511{:}05. Duur: 8:479:008{:}47 \to 9{:}00 is 1313 min; 9:0011:009{:}00 \to 11{:}00 is 22 u; 11:0011:0511{:}00 \to 11{:}05 is 55 min. Samen: 22 u 1818 min.

28.5 Oefeningen

Oefening 28.1

Zet om met de maattabel: 77 m in cm; 3.23.2 km in m; 8585 mm in cm; 45004\,500 m in km.

Oplossing

Oplossing van Oefening 28.1.

77 m =700= 700 cm; 3.23.2 km =3200= 3\,200 m; 8585 mm =8.5= 8.5 cm; 45004\,500 m =4.5= 4.5 km.

Oefening 28.2

Zet om: 22 kg in g; 18001\,800 g in kg en g; 3.53.5 L in cL; 2525 cL in L.

Oplossing

Oplossing van Oefening 28.2.

22 kg =2000= 2\,000 g; 18001\,800 g =1= 1 kg 800800 g; 3.53.5 L =350= 350 cL; 2525 cL =0.25= 0.25 L.

Oefening 28.3

Reken de omtrek uit: een rechthoek van 99 cm ×\times 55 cm; een vierkant met zijde 7.57.5 cm; een driehoek met zijden 66 cm, 88 cm en 1010 cm.

Oplossing

Oplossing van Oefening 28.3.

Rechthoek: 2×(9+5)=282 \times (9 + 5) = 28 cm. Vierkant: 4×7.5=304 \times 7.5 = 30 cm. Driehoek: 6+8+10=246 + 8 + 10 = 24 cm.

Oefening 28.4

Een rechthoek heeft omtrek 2626 cm en lengte 88 cm. Zoek zijn breedte (zoek eerst lengte ++ breedte).

Oplossing

Oplossing van Oefening 28.4.

Lengte ++ breedte =26÷2=13= 26 \div 2 = 13 cm, dus is de breedte 138=513 - 8 = 5 cm.

Oefening 28.5

Teken op ruitjespapier een L-vormige figuur die precies 1010 vakjes bedekt, en tel de eenheden van haar omtrek.

Oplossing

Oplossing van Oefening 28.5.

Er zijn veel L-vormen die werken; voor een L van 1010 vakjes, gemaakt van een rechthoek 4×24 \times 2 met een voet van 2×12 \times 1, geeft het aflopen van de rand 1616 eenheden. (Elke goede figuur met een zorgvuldige telling is juist; de omtrek hangt af van de gekozen L.)

Oefening 28.6

Teken twee verschillende rechthoeken met een oppervlakte van 1212 vakjes. Reken van elk de omtrek uit. Welke is “ronder”, welke is “dunner”?

Oplossing

Oplossing van Oefening 28.6.

3×43 \times 4: omtrek 1414. 2×62 \times 6: omtrek 1616. (1×121 \times 12: omtrek 2626.) Hoe dichter bij een vierkant, hoe kleiner de omtrek bij dezelfde oppervlakte.

Oefening 28.7

Op het raster is een rechthoekige driehoek getekend met rechthoekszijden 66 en 33. Wat is zijn oppervlakte in vakjes? (Gebruik Voorbeeld 28.6.)

Oplossing

Oplossing van Oefening 28.7.

De helft van de rechthoek 6×36 \times 3: 18÷2=918 \div 2 = 9 vakjes.

Oefening 28.8

Reken de tijdsduren uit: van 10:2010{:}20 tot 12:4512{:}45; van 7:357{:}35 tot 9:109{:}10. Een film duurt 11 u 5050 en begint om 20:3020{:}30: hoe laat is hij uit?

Oplossing

Oplossing van Oefening 28.8.

10:2012:4510{:}20 \to 12{:}45: 22 u 2525 min. 7:359:107{:}35 \to 9{:}10: 11 u 3535 min. Film: 20:30+120{:}30 + 1 u 50=22:2050 = 22{:}20.

Oefening 28.9

Kim loopt 33 rondjes om een rechthoekig veld van 6060 m bij 4545 m. Hoeveel meter loopt ze?

Oplossing

Oplossing van Oefening 28.9.

Eén rondje: 2×(60+45)=2102 \times (60 + 45) = 210 m. Drie rondjes: 3×210=6303 \times 210 = 630 m.

Oefening 28.10 ★★

Een boer wil een vierkant veld met zijde 8585 m omheinen en laat een poort van 44 m zonder hek. Hoeveel meter hek moet hij kopen?

Oplossing

Oplossing van Oefening 28.10.

Omtrek: 4×85=3404 \times 85 = 340 m; de poort eraf: 3404=336340 - 4 = 336 m hek.

Oefening 28.11 ★★

Waar of niet waar, met voorbeelden op het raster: “hebben twee figuren dezelfde omtrek, dan hebben ze dezelfde oppervlakte”; “hebben twee figuren dezelfde oppervlakte, dan hebben ze dezelfde omtrek”. (Voorbeeld 28.7 en de figuur van dit hoofdstuk helpen je.)

Oplossing

Oplossing van Oefening 28.11.

Beide beweringen zijn niet waar. Dezelfde omtrek, verschillende oppervlaktes: de rechthoek 4×24 \times 2 en de L-vorm uit de figuur van dit hoofdstuk (beide omtrek 1212; oppervlaktes 88 en 66). Dezelfde oppervlakte, verschillende omtrekken: het vierkant 4×44 \times 4 en de rechthoek 8×28 \times 2 (beide oppervlakte 1616; omtrekken 1616 en 2020).

Begrippen gedefinieerd in dit hoofdstuk

Bekijk alle 395 begrippen in de begrippenlijst