Wiskunde basisschool en onderbouw · Grades 1–9
1Tellen tot 20
Hoeveel knikkers? Tellen beantwoordt de allereerste vraag van de wiskunde. In dit hoofdstuk tellen we kleine verzamelingen, schrijven we de getallen van tot , en vergelijken we: wie heeft er meer?
1.1 Voorwerpen tellen
Methode 1.1 (Hoe te tellen)
- Raak elk voorwerp één keer aan, en zeg de getallen in volgorde: een, twee, drie, …;
- sla geen voorwerp over, raak er niet twee keer één aan (leg de getelde opzij, of streep ze door);
- het laatste getal dat je zegt, is hoeveel er zijn.
De volgorde van aanraken doet er niet toe: van links naar rechts of van rechts naar links, knikkers zijn knikkers.
Definitie 1.2 (Nul)
Als er niets te tellen is — een lege doos — is het getal nul, geschreven .
1.2 De getallen tot 20
Voorbeeld 1.3 (Lezen en schrijven)
De getallen van tot , op volgorde:
Na gebruiken de getallen twee cijfers: is een tiental en erbij; is twee tientallen. (Tientallen komen aan de orde in Hoofdstuk 4.)
Voorbeeld 1.4 (Net ervoor, net erna)
Op de lijn heeft elk getal twee buren: net vóór komt , net erna komt . Achteruit tellen — , , , … — is naar links lopen.
1.3 Vergelijken
Methode 1.5 (Wie heeft er meer?)
Om twee verzamelingen te vergelijken, maak paarjes: één uit elke verzameling, naast elkaar.
- Als er voorwerpen van één verzameling overblijven zonder partner, heeft die verzameling meer;
- als er aan geen van beide kanten iets overblijft, zijn er evenveel aan beide kanten.
Met getallen hoef je niet te paren: het getal dat verder naar rechts op de getallenlijn staat, is het grotere — paren en de lijn geven altijd hetzelfde. We schrijven ( is meer) of ( is minder).
Voorbeeld 1.6 (Eerste, tweede, derde)
In een wedstrijd komen de lopers in volgorde aan: de eerste, de tweede, de derde, de vierde … Deze woorden geven de plaats aan, niet de hoeveelheid: de derde loper is één loper, op plaats nummer .
1.4 Oefeningen
Oefening 1.1 ★
Tel de letters van je voornaam. Tel de vingers van twee handen. Tel de poten van twee katten.
Oplossing
Oplossing van Oefening 1.1.
De antwoorden hangen af van de voornaam; twee handen hebben vingers; twee katten hebben poten.
Oefening 1.2 ★
Schrijf in cijfers: zeven; twaalf; twintig; nul. Schrijf in woorden: ; ; .
Oplossing
Oplossing van Oefening 1.2.
; ; ; . In woorden: vier; vijftien; achttien.
Oefening 1.3 ★
Ga door met tellen: . Tel achteruit: .
Oplossing
Oplossing van Oefening 1.3.
. Achteruit: .
Oefening 1.4 ★
Welk getal komt net vóór ? Net na ? Tussen en ?
Oplossing
Oplossing van Oefening 1.4.
Net vóór : . Net na : . Tussen en : .
Oefening 1.5 ★
Schrijf over en vul in met of :
Oplossing
Oplossing van Oefening 1.5.
; ; ; .
Oefening 1.6 ★
Teken cirkels en kruisjes. Maak er paarjes van: welke zijn er meer, en met hoeveel?
Oplossing
Oplossing van Oefening 1.6.
Paren van cirkels met kruisjes laat kruisjes zonder partner over: de kruisjes zijn meer, met .
Oefening 1.7 ★
Zet op volgorde van klein naar groot: ; ; ; ; .
Oplossing
Oplossing van Oefening 1.7.
.
Oefening 1.8 ★
Vijf kinderen staan op een rij: Ana, Bob, Cleo, Dan, Emma. Wie is de tweede? Wie is de vierde? Op welke plaats staat Dan?
Oplossing
Oplossing van Oefening 1.8.
Tweede: Bob. Vierde: Dan. Dan staat op plaats .
Oefening 1.9 ★★
Ik ben een getal tussen en . Als je op de lijn telt, ben ik drie stappen na . Wie ben ik? En wie is drie stappen vóór ?
Oplossing
Oplossing van Oefening 1.9.
Drie stappen na : . Drie stappen vóór : .