Mathematics · Boek 1 · Grades 1–9

Wiskunde basisschool en onderbouw

Wiskunde basisschool en onderbouw · Grades 1–9

6Meten en tijd

Welk potlood is langer? Welke dag is het? Hoeveel kost een snoepje? In dit hoofdstuk vergelijken we lengtes en meten we ze in centimeters, zetten we de dagen van de week op volgorde, lezen we hele uren op de klok en tellen we kleine muntjes.

6.1 Langer en korter

Methode 6.1 (Lengtes vergelijken)

Om twee lengtes te vergelijken, leg je ze naast elkaar met één uiteinde gelijk:

  1. leg beide voorwerpen naast elkaar, met hetzelfde beginpunt;
  2. wat verder komt, is langer, het andere is korter;
  3. komen ze even ver, dan zijn ze even lang.

Gelijk beginnen is het hele geheim — vergelijken vanaf scheve beginpunten bedriegt het oog.

Twee stokjes, links gelijk gelegd: het blauwe komt verder, dus het is langer.
Twee stokjes, links gelijk gelegd: het blauwe komt verder, dus het is langer.

Definitie 6.2 (De centimeter)

Om te zeggen hoe lang iets is, meten we met een lat in centimeters (cm). Leg de 00 van de lat bij het begin van het voorwerp en lees het getal aan het einde af.

Meten: de 0 bij het begin, dan het einde aflezen. Dit potlood is 5 cm lang. (Millimeters en meters volgen in .)
Meten: de 00 bij het begin, dan het einde aflezen. Dit potlood is 55 cm lang. (Millimeters en meters volgen in Hoofdstuk 19.)

6.2 De dagen van de week

Voorbeeld 6.3 (De zeven dagen)

De week heeft 77 dagen, altijd in dezelfde volgorde:

maandag, dinsdag, woensdag, donderdag, vrijdag, zaterdag, zondag.\text{maandag, dinsdag, woensdag, donderdag, vrijdag, zaterdag, zondag.}

Na zondag begint het weer bij maandag. Gisteren is de dag ervoor, morgen de dag erna: als het vandaag woensdag is, was het gisteren dinsdag en is het morgen donderdag.

6.3 Hele uren op de klok

Methode 6.4 (Een heel uur lezen)

Als de lange wijzer recht naar boven wijst, naar de 1212, dan is het een heel uur: lees het getal waar de korte wijzer naar wijst. Korte wijzer op de 33, lange wijzer op de 1212: het is 33 uur.

Hele uren: de lange rode wijzer op de 12, de korte blauwe wijzer geeft het uur. (Halve uren en kwartieren volgen in .)
Hele uren: de lange rode wijzer op de 1212, de korte blauwe wijzer geeft het uur. (Halve uren en kwartieren volgen in Hoofdstuk 12.)

6.4 Kleine muntjes

Voorbeeld 6.5 (Een bedrag maken)

Met muntjes van 11, 22 en 55 kun je veel bedragen op verschillende manieren maken. Om 77 te maken:

5+2,5+1+1,2+2+2+1.5 + 2, \qquad 5 + 1 + 1, \qquad 2 + 2 + 2 + 1 .

Met de grootste muntjes beginnen gaat meestal het snelst, en kost de minste muntjes.

Een muntje van vijf en een muntje van twee maken zeven.
Een muntje van vijf en een muntje van twee maken zeven.

6.5 Oefeningen

Oefening 6.1

Leg drie potloden naast elkaar met één uiteinde gelijk. Welk potlood is het langst? Welk is het kortst?

Oplossing

Oplossing van Oefening 6.1.

Het antwoord hangt af van de potloden; met één uiteinde gelijk komt het langste potlood het verst en het kortste het minst ver.

Oefening 6.2

Meet met je lat: de lange zijde van dit boek; je pink; een lepel. Antwoord in hele centimeters.

Oplossing

Oplossing van Oefening 6.2.

De antwoorden verschillen; je leest elke lengte af door de 00 van de lat bij het begin van het voorwerp te leggen en aan het einde de hele centimeter af te lezen.

Oefening 6.3

Noem de dag: na maandag; voor zondag; twee dagen na vrijdag.

Oplossing

Oplossing van Oefening 6.3.

Na maandag: dinsdag. Voor zondag: zaterdag. Twee dagen na vrijdag: zondag.

Oefening 6.4

Vandaag is het donderdag. Welke dag was het gisteren? Welke dag is het morgen? Welke dag is het over drie dagen?

Oplossing

Oplossing van Oefening 6.4.

Gisteren: woensdag. Morgen: vrijdag. Over drie dagen: zondag.

Oefening 6.5

Teken een klok die 66 uur aanwijst. Waar staat de korte wijzer? Waar staat de lange wijzer?

Oplossing

Oplossing van Oefening 6.5.

Om 66 uur wijst de korte wijzer naar de 66 en de lange wijzer recht naar boven, naar de 1212.

Oefening 6.6

Lees het hele uur: korte wijzer op 55, lange wijzer op 1212; korte wijzer op 1111, lange wijzer op 1212.

Oplossing

Oplossing van Oefening 6.6.

Korte wijzer op 55: 55 uur. Korte wijzer op 1111: 1111 uur.

Oefening 6.7

Maak 88 met muntjes van 11, 22 en 55, op twee verschillende manieren.

Oplossing

Oplossing van Oefening 6.7.

Voor 88 bijvoorbeeld 5+2+15 + 2 + 1 of 2+2+2+22 + 2 + 2 + 2 (er zijn nog meer goede antwoorden).

Oefening 6.8

Leo heeft een muntje van 55 en drie muntjes van 22. Hoeveel geld heeft hij samen?

Oplossing

Oplossing van Oefening 6.8.

5+2+2+2=115 + 2 + 2 + 2 = 11. Leo heeft 1111.

Oefening 6.9 ★★

Een snoepje kost 33. Zoë betaalt met een muntje van 55. Hoeveel wisselgeld krijgt ze terug? (Tel door van 33 naar 55.)

Oplossing

Oplossing van Oefening 6.9.

Van 33 naar 55 is 22: Zoë krijgt 22 terug.

Begrippen gedefinieerd in dit hoofdstuk

Bekijk alle 395 begrippen in de begrippenlijst