Mathematics · Boek 1 · Grades 1–9

Wiskunde basisschool en onderbouw

Wiskunde basisschool en onderbouw · Grades 1–9

12Geld en maten

Meetlatten, keukenweegschalen, maatbekers, muntjes, klokken en kalenders: dit hoofdstuk gaat over de getallen van het dagelijks leven — hoe lang, hoe zwaar, hoeveel er in gaat, hoeveel het kost, en hoe laat het is.

12.1 Lengtes, massa’s, inhouden

Definitie 12.1 (Alledaagse eenheden)

  • Lengte: centimeter (cm) voor kleine dingen, meter (m) voor grote, met 11 m =100= 100 cm;
  • massa: gram (g) voor lichte dingen, kilogram (kg) voor zware, met 11 kg =1000= 1000 g;
  • inhoud (hoeveel er in een bak gaat): liter (L).

Kleinere eenheden en de precieze regels volgen in Hoofdstuk 19.

Voorbeeld 12.2 (Welke eenheid?)

Een kleurkrijtje: ongeveer 99 cm. Een deur: ongeveer 22 m. Een appel: ongeveer 150150 g. Een grote zak bloem: 11 kg. Een fles melk: 11 L. Raad de eenheid voordat je meet — dat voorkomt onzinnige antwoorden als “de deur is 22 cm”.

12.2 Geld

Methode 12.3 (Een bedrag maken)

Met muntjes en biljetten van 11, 22, 55, 1010, 2020:

  1. begin met het grootste dat past en vul de rest aan;
  2. om 2727 te maken: een 2020, een 55 en een 22;
  3. vaak kan het op meer manieren — 2727 is ook 10+10+5+210 + 10 + 5 + 2.
27 maken met één biljet en twee muntjes — en het kan ook anders, bijvoorbeeld 10 + 10 + 5 + 2.
2727 maken met één biljet en twee muntjes — en het kan ook anders, bijvoorbeeld 10+10+5+210 + 10 + 5 + 2.

Voorbeeld 12.4 (Wisselgeld)

Een boek kost 1414; je betaalt met 2020. Het wisselgeld is 20−14=620 - 14 = 6, gevonden door door te tellen: 14→2014 \to 20 is 66 (Methode 9.4).

12.3 Tijd

Methode 12.5 (Halve uren en kwartieren)

De lange wijzer geeft de minuten na het hele uur:

  1. recht naar boven (1212): op het hele uur — 3:003{:}00, “drie uur”;
  2. een kwartslag naar rechts (33): “kwart over drie” — 3:153{:}15;
  3. recht naar beneden (66): 3:303{:}30 — in het Nederlands “half vier”, want we noemen het volgende uur;
  4. driekwart slag (99): “kwart voor vier” — 3:453{:}45.
Kwart over, half, kwart voor: de lange rode wijzer op de 3, op de 6 en op de 9.
Kwart over, half, kwart voor: de lange rode wijzer op de 33, op de 66 en op de 99.

Voorbeeld 12.6 (De kalender)

Een jaar heeft 1212 maanden, op volgorde: januari, februari, maart, april, mei, juni, juli, augustus, september, oktober, november, december. De meeste maanden hebben 3030 of 3131 dagen; februari heeft 2828 (of 2929). Een datum noemt de dag en de maand: “55 maart”.

12.4 Oefeningen

Oefening 12.1 ★

Kies de eenheid (cm, m, g, kg of L): een potlood; de lengte van het klaslokaal; een veertje; een schooltas; een fles water.

Oplossing

Oplossing van Oefening 12.1.

Potlood: cm. Lengte van het klaslokaal: m. Veertje: g. Schooltas: kg. Fles water: L.

Oefening 12.2 ★

Zet om: 22 m in cm; 300300 cm in m; 11 kg in g.

Oplossing

Oplossing van Oefening 12.2.

22 m =200= 200 cm; 300300 cm =3= 3 m; 11 kg =1000= 1000 g.

Oefening 12.3 ★

Maak deze bedragen met muntjes en biljetten: 1616; 2323; 3535. Geef bij elk één manier.

Oplossing

Oplossing van Oefening 12.3.

Bijvoorbeeld: 16=10+5+116 = 10 + 5 + 1; 23=20+2+123 = 20 + 2 + 1; 35=20+10+535 = 20 + 10 + 5. (Er zijn ook andere manieren.)

Oefening 12.4 ★

Reken het wisselgeld uit: je betaalt 1010 voor speelgoed van 66; 2020 voor een boek van 1717; 5050 voor een spel van 3232.

Oplossing

Oplossing van Oefening 12.4.

10−6=410 - 6 = 4; 20−17=320 - 17 = 3; 50−32=1850 - 32 = 18.

Oefening 12.5 ★

Lees de tijd: lange wijzer op 66, korte wijzer tussen 44 en 55; lange wijzer op 33, korte wijzer net na 88.

Oplossing

Oplossing van Oefening 12.5.

Lange wijzer op 66, korte tussen 44 en 55: half vijf (4:304{:}30). Lange wijzer op 33, korte net na 88: kwart over acht (8:158{:}15).

Oefening 12.6 ★

Teken een klok die half drie aanwijst. Waar wijst elke wijzer naartoe?

Oplossing

Oplossing van Oefening 12.6.

Half drie: de lange wijzer wijst naar beneden, naar de 66, en de korte wijzer staat tussen de 22 en de 33.

Oefening 12.7 ★

Noem de maand: na mei; voor januari; de maand van je verjaardag.

Oplossing

Oplossing van Oefening 12.7.

Na mei: juni. Voor januari: december. (De maand van de verjaardag verschilt.)

Oefening 12.8 ★

Lea koopt een drankje van 33 en een gebakje van 44. Ze betaalt met een biljet van 1010. Hoeveel wisselgeld krijgt ze?

Oplossing

Oplossing van Oefening 12.8.

Uitgegeven: 3+4=73 + 4 = 7. Wisselgeld: 10−7=310 - 7 = 3.

Oefening 12.9 ★

Wat is zwaarder: een zak suiker van 11 kg of 800800 g appels? Hoeveel gram scheelt het?

Oplossing

Oplossing van Oefening 12.9.

11 kg =1000= 1000 g, en dat is meer dan 800800 g: de suiker is zwaarder, en wel 1000−800=2001000 - 800 = 200 g.

Oefening 12.10 ★★

Maak 4040 met precies vier muntjes of biljetten (gekozen uit 11, 22, 55, 1010, 2020). Zoek twee verschillende manieren.

Oplossing

Oplossing van Oefening 12.10.

Bijvoorbeeld 20+10+5+5=4020 + 10 + 5 + 5 = 40 en 10+10+10+10=4010 + 10 + 10 + 10 = 40 (twee manieren met precies vier muntjes of biljetten).

Begrippen gedefinieerd in dit hoofdstuk

Bekijk alle 395 begrippen in de begrippenlijst