Mathematics · Boek 1 · Grades 1–9

Wiskunde basisschool en onderbouw

Wiskunde basisschool en onderbouw · Grades 1–9

22Grotere getallen vermenigvuldigen

In jaar 3 vermenigvuldigden we met één cijfer (Hoofdstuk 16); in dit hoofdstuk vermenigvuldigen we met getallen van twee cijfers — en leggen we de raadselachtige “opgeschoven regel” van het cijferen uit, die niets anders is dan een splitsing in tientallen en eenheden.

22.1 Vermenigvuldigen met tientallen

Propositie 22.1 (Keer 10, 20, 300 …)

Met 1010 vermenigvuldigen zet er één nul achter, met 100100 twee nullen. Om met 2020 te vermenigvuldigen, vermenigvuldig je met 22 en daarna met 1010:

36×20=36×2×10=72×10=720.36 \times 20 = 36 \times 2 \times 10 = 72 \times 10 = 720 .

Net zo is 14×300=14×3×100=420014 \times 300 = 14 \times 3 \times 100 = 4\,200.

Bewijs. Op dit niveau zonder bewijs aangenomen.

22.2 Het cijferen met twee cijfers

Voorbeeld 22.2 (Waarom die opgeschoven regel?)

Om 23×1223 \times 12 uit te rekenen, splits je 1212 in 10+210 + 2:

23×12=23×2+23×10=46+230=276.23 \times 12 = 23 \times 2 + 23 \times 10 = 46 + 230 = 276 .

Bij het cijferen schrijf je precies deze twee producten onder elkaar — het tweede een plaats naar links opgeschoven, omdat het een aantal tientallen is:

23× 124623276\begin{array}{r} 2\,3 \\ \times\ 1\,2 \\ \hline 4\,6 \\ 2\,3\,\cdot \\ \hline 2\,7\,6 \end{array}

(de punt geeft de plaats van de eenheden in de opgeschoven regel aan; die blijft meestal leeg).

Het rechthoekplaatje van 23 × 12: vier makkelijke producten, 200 + 40 + 30 + 6 = 276. Het cijferen bundelt ze in twee regels: 46 (de regel “× 2”) en 230 (de regel “× 10”).
Het rechthoekplaatje van 23×1223 \times 12: vier makkelijke producten, 200+40+30+6=276200 + 40 + 30 + 6 = 276. Het cijferen bundelt ze in twee regels: 4646 (de regel “×2\times 2”) en 230230 (de regel “×10\times 10”).

Methode 22.3 (Cijferend vermenigvuldigen met een getal van twee cijfers)

Om 457×36457 \times 36 uit te rekenen:

  1. eerste regel: 457×6=2742457 \times 6 = 2\,742;
  2. tweede regel: 457×3457 \times 3 tientallen =1371= 1\,371 tientallen — schrijf 13711\,371 één plaats naar links opgeschoven;
  3. tel de twee regels op: 2742+13710=164522\,742 + 13\,710 = 16\,452;
  4. controleer met een schatting: 457×36500×36=18000457 \times 36 \approx 500 \times 36 = 18\,000? Beter: 450×36450 \times 36 is ongeveer 1600016\,000 — aannemelijk.
457×  362742137116452\begin{array}{r} 4\,5\,7 \\ \times\ \ \,3\,6 \\ \hline 2\,7\,4\,2 \\ 1\,3\,7\,1\,\cdot \\ \hline 1\,6\,4\,5\,2 \end{array}

Voorbeeld 22.4 (Trucs voor het hoofdrekenen)

  • Handig splitsen: 18×11=18×10+18=19818 \times 11 = 18 \times 10 + 18 = 198.
  • Bijna honderd gebruiken: 25×99=25×10025=247525 \times 99 = 25 \times 100 - 25 = 2\,475.
  • Verdubbelen en halveren: 16×35=8×70=56016 \times 35 = 8 \times 70 = 560 (de ene factor halveren en de andere verdubbelen laat het product gelijk).

22.3 Vermenigvuldigen in vraagstukken

Voorbeeld 22.5

Een school bestelt 2828 pakken van 145145 vellen papier.

  1. Bewerking: 145×28145 \times 28.
  2. Schatting: 150×30=4500150 \times 30 = 4\,500, aan beide kanten iets te ruim.
  3. Cijferen: 145×8=1160145 \times 8 = 1\,160; 145×2145 \times 2 tientallen =2900= 2\,900; samen 40604\,060.
  4. Antwoordzin: de school ontvangt 40604\,060 vellen.

22.4 Oefeningen

Oefening 22.1

Reken uit het hoofd: 47×1047 \times 10; 23×10023 \times 100; 36×2036 \times 20; 15×30015 \times 300; 42×5042 \times 50.

Oplossing

Oplossing van Oefening 22.1.

470470; 23002\,300; 720720; 45004\,500; 21002\,100.

Oefening 22.2

Reken 34×2134 \times 21 uit door te splitsen zoals in Voorbeeld 22.2 (34×21=34×20+3434 \times 21 = 34 \times 20 + 34) en controleer daarna met cijferen.

Oplossing

Oplossing van Oefening 22.2.

34×21=34×20+34=680+34=71434 \times 21 = 34 \times 20 + 34 = 680 + 34 = 714; het cijferen geeft dezelfde regels: 3434 en 680680.

Oefening 22.3

Vermenigvuldig cijferend: 63×2463 \times 24; 85×4785 \times 47; 126×53126 \times 53.

Oplossing

Oplossing van Oefening 22.3.

63×24=151263 \times 24 = 1\,512; 85×47=399585 \times 47 = 3\,995; 126×53=6678126 \times 53 = 6\,678.

Oefening 22.4

Vermenigvuldig cijferend, met eerst een schatting: 208×34208 \times 34; 517×62517 \times 62.

Oplossing

Oplossing van Oefening 22.4.

208×34208 \times 34: schatting 200×34=6800200 \times 34 = 6\,800; precies 70727\,072.

517×62517 \times 62: schatting 500×60=30000500 \times 60 = 30\,000; precies 3205432\,054.

Oefening 22.5

Reken uit met een truc uit Voorbeeld 22.4: 45×1145 \times 11; 32×9932 \times 99; 24×4524 \times 45 (verdubbelen en halveren — desnoods twee keer).

Oplossing

Oplossing van Oefening 22.5.

45×11=450+45=49545 \times 11 = 450 + 45 = 495.

32×99=320032=316832 \times 99 = 3\,200 - 32 = 3\,168.

24×45=12×90=108024 \times 45 = 12 \times 90 = 1\,080 (of nog een keer: 6×180=10806 \times 180 = 1\,080).

Oefening 22.6

Een bioscoop heeft 2626 rijen van 1818 stoelen. Hoeveel stoelen zijn dat in totaal?

Oplossing

Oplossing van Oefening 22.6.

26×18=46826 \times 18 = 468 stoelen.

Oefening 22.7

Een vrachtwagen vervoert 3232 pallets met 4848 kratten. Hoeveel kratten zijn dat? Geef eerst een schatting en dan het precieze antwoord.

Oplossing

Oplossing van Oefening 22.7.

Schatting: 30×50=150030 \times 50 = 1\,500. Precies: 32×48=153632 \times 48 = 1\,536 kratten.

Oefening 22.8

Zoek de fout: Ana rekent 57×2357 \times 23 uit als 57×3=17157 \times 3 = 171 en 57×2=11457 \times 2 = 114, en telt dan op: 171+114=285171 + 114 = 285. De juiste uitkomst is 13111\,311. Wat is ze vergeten?

Oplossing

Oplossing van Oefening 22.8.

Ze is vergeten dat de 22 van 2323 tientallen telt: de tweede regel moet 57×20=114057 \times 20 = 1\,140 zijn, niet 114114. Het juiste totaal is 171+1140=1311171 + 1\,140 = 1\,311.

Oefening 22.9 ★★

Een tuinier plant 1414 rijen van 3535 tulpen en 1212 rijen van 2828 narcissen. Hoeveel bloemen zijn dat in totaal? (Twee producten en dan een som.)

Oplossing

Oplossing van Oefening 22.9.

Tulpen: 14×35=49014 \times 35 = 490. Narcissen: 12×28=33612 \times 28 = 336. Samen: 490+336=826490 + 336 = 826 bloemen.

Oefening 22.10 ★★

Een bakkerij gebruikt elke dag 6767 kg bloem. Hoeveel bloem is dat ongeveer in een maand van 3030 dagen — schat met afgeronde getallen en reken daarna precies uit.

Oplossing

Oplossing van Oefening 22.10.

Schatting: 70×30=210070 \times 30 = 2\,100 kg. Precies: 67×30=201067 \times 30 = 2\,010 kg.

Oefening 22.11 ★★

Leg met een rechthoekplaatje zoals dat van dit hoofdstuk uit waarom 15×1215 \times 12 uitgerekend kan worden als 15×10+15×215 \times 10 + 15 \times 2. Verzin daarna een andere splitsing van 15×1215 \times 12 die ook werkt.

Oplossing

Oplossing van Oefening 22.11.

Een rechthoek van 15×1215 \times 12 vakjes kun je met een verticale lijn in een stuk 15×1015 \times 10 en een stuk 15×215 \times 2 knippen: elk stuk tellen geeft 150+30=180150 + 30 = 180. Een andere knip werkt net zo goed, bijvoorbeeld 15=10+515 = 10 + 5: 10×12+5×12=120+60=18010 \times 12 + 5 \times 12 = 120 + 60 = 180. Hoe je de rechthoek ook knipt, het totale aantal vakjes blijft hetzelfde.