Mathematics · Boek 1 · Grades 1–9

Wiskunde basisschool en onderbouw

Wiskunde basisschool en onderbouw · Grades 1–9

15Optellen en aftrekken

Optellen is samenvoegen; aftrekken is wegnemen, of zoeken wat er ontbreekt. In dit hoofdstuk oefen je de twee manieren van cijferen — met hun beroemde onthouden en lenen — en de hoofdrekentrucs die het cijferen vaak overbodig maken.

15.1 Cijferend optellen

Methode 15.1 (Onder elkaar optellen)

  1. Schrijf de getallen onder elkaar, eenheden onder eenheden, tientallen onder tientallen (lijn rechts uit);
  2. tel de eenheden op; komt de som voorbij 99, schrijf dan het cijfer van de eenheden en onthoud het tiental voor de volgende kolom (een kleine 11);
  3. ga verder met de tientallen, de honderdtallen, …, en tel elke keer het onthoudcijfer mee.

Voorbeeld 15.2

Reken 457+368457 + 368 uit:

1  1  0457+ 368825\begin{array}{r} {\scriptstyle 1}\ \ {\scriptstyle 1}\ \ \phantom{0} \\[-3pt] 4\,5\,7 \\ +\ 3\,6\,8 \\ \hline 8\,2\,5 \end{array}

Eenheden: 7+8=157 + 8 = 15: schrijf 55, onthoud 11. Tientallen: 5+6+1=125 + 6 + 1 = 12: schrijf 22, onthoud 11. Honderdtallen: 4+3+1=84 + 3 + 1 = 8. Uitkomst: 825825.

Voorbeeld 15.3 (Optellen uit het hoofd)

Zoek naar vriendelijke getallen voordat je gaat cijferen:

  • maak een tiental: 47+8=47+3+5=50+5=5547 + 8 = 47 + 3 + 5 = 50 + 5 = 55;
  • spring in delen: 256+130=256+100+30=386256 + 130 = 256 + 100 + 30 = 386;
  • verwissel de volgorde: 17+59+3=(17+3)+59=7917 + 59 + 3 = (17 + 3) + 59 = 79.
Hoofdrekenen als sprongen op de getallenlijn: 256 + 130 in twee sprongen, eerst de honderdtallen, dan de tientallen.
Hoofdrekenen als sprongen op de getallenlijn: 256+130256 + 130 in twee sprongen, eerst de honderdtallen, dan de tientallen.

15.2 Cijferend aftrekken

Methode 15.4 (Onder elkaar aftrekken)

  1. Schrijf het grootste getal bovenaan, rechts uitgelijnd;
  2. trek kolom voor kolom af, te beginnen bij de eenheden;
  3. is het bovenste cijfer te klein, dan leen je: haal er één weg bij de volgende plaats van de bovenste rij (die is tien waard in deze kolom);
  4. controleer: de uitkomst plus het afgetrokken getal moet het bovenste getal teruggeven.

Voorbeeld 15.5

Reken 603147603 - 147 uit:

603 147456\begin{array}{r} 6\,0\,3 \\ -\ 1\,4\,7 \\ \hline 4\,5\,6 \end{array}

Eenheden: 373 - 7 kan niet; leen door: 603603 wordt 55 honderdtallen, 99 tientallen, 1313 eenheden. Dan 137=613 - 7 = 6; tientallen 94=59 - 4 = 5; honderdtallen 51=45 - 1 = 4. Uitkomst: 456456. Controle: 456+147=603456 + 147 = 603.

Het lenen bij 603 - 147 in plaatjes: één honderdtal wordt opengebroken in tien tientallen, en één van die tientallen in tien eenheden. Even veel, in een nieuw jasje — 6\, \,0\, \,3 wordt 5\, \,9\, \,13, en nu kan elke kolom aftrekken.
Het lenen bij 603147603 - 147 in plaatjes: één honderdtal wordt opengebroken in tien tientallen, en één van die tientallen in tien eenheden. Even veel, in een nieuw jasje — 6036\,\vert\,0\,\vert\,3 wordt 59135\,\vert\,9\,\vert\,13, en nu kan elke kolom aftrekken.

Voorbeeld 15.6 (Aftrekken als ontbrekend deel)

“Lila heeft 3535 knikkers, Tom heeft er 5252: hoeveel heeft Tom er meer?” is de aftrekking 523552 - 35. Uit het hoofd tel je door vanaf 3535: 354035 \to 40 is 55, en 405240 \to 52 is 1212; samen 5+12=175 + 12 = 17. Doortellen is vaak makkelijker dan lenen.

52 - 35 met doortellen: eerst naar het vriendelijke 40, dan naar 52. Het antwoord is het totaal van de sprongen: 5 + 12 = 17.
523552 - 35 met doortellen: eerst naar het vriendelijke 4040, dan naar 5252. Het antwoord is het totaal van de sprongen: 5+12=175 + 12 = 17.

15.3 Grootteordes

Methode 15.7 (Schatten voordat je rekent)

Rond voor elke cijferberekening de getallen af op vriendelijke getallen en maak een schatting. Vergelijk daarna: een uitkomst die ver van de schatting ligt, wijst op een fout.

Voorbeeld 15.8

Voor 487+312487 + 312 is de schatting 500+300=800500 + 300 = 800. De uitkomst van het cijferen, 799799, ligt er dicht bij: aannemelijk. Had je 10991\,099 gevonden (een kolom verkeerd uitgelijnd), dan had de schatting je gewaarschuwd.

15.4 Oefeningen

Oefening 15.1

Tel onder elkaar op: 346+253346 + 253; 478+265478 + 265; 1536+28761\,536 + 2\,876.

Oplossing

Oplossing van Oefening 15.1.

346+253=599346 + 253 = 599; 478+265=743478 + 265 = 743; 1536+2876=44121\,536 + 2\,876 = 4\,412.

Oefening 15.2

Trek onder elkaar af en controleer met een optelling: 587234587 - 234; 805348805 - 348; 10004631\,000 - 463.

Oplossing

Oplossing van Oefening 15.2.

587234=353587 - 234 = 353 (controle: 353+234=587353 + 234 = 587).

805348=457805 - 348 = 457 (controle: 457+348=805457 + 348 = 805).

1000463=5371\,000 - 463 = 537 (controle: 537+463=1000537 + 463 = 1\,000).

Oefening 15.3

Reken uit het hoofd door tientallen te maken: 38+738 + 7; 56+956 + 9; 45+2845 + 28 (tel 3030 op en haal er 22 af).

Oplossing

Oplossing van Oefening 15.3.

38+7=38+2+5=4538 + 7 = 38 + 2 + 5 = 45; 56+9=56+4+5=6556 + 9 = 56 + 4 + 5 = 65; 45+28=45+302=7345 + 28 = 45 + 30 - 2 = 73.

Oefening 15.4

Reken uit het hoofd met sprongen: 340+220340 + 220; 675+210675 + 210; 512300512 - 300; 840220840 - 220.

Oplossing

Oplossing van Oefening 15.4.

340+220=560340 + 220 = 560; 675+210=885675 + 210 = 885; 512300=212512 - 300 = 212; 840220=620840 - 220 = 620.

Oefening 15.5

Reken 634763 - 47 uit met doortellen (zoals in Voorbeeld 15.6) en controleer daarna met cijferen.

Oplossing

Oplossing van Oefening 15.5.

Van 4747 naar 5050: 33; van 5050 naar 6363: 1313; samen 3+13=163 + 13 = 16. Het cijferen bevestigt het: 6347=1663 - 47 = 16.

Oefening 15.6

Schat eerst (rond af op honderdtallen) en reken dan precies uit: 492+218492 + 218; 913388913 - 388.

Oplossing

Oplossing van Oefening 15.6.

492+218492 + 218: schatting 500+200=700500 + 200 = 700; precies 710710.

913388913 - 388: schatting 900400=500900 - 400 = 500; precies 525525.

Oefening 15.7

Een school heeft 348348 meisjes en 296296 jongens. Hoeveel leerlingen zijn dat in totaal? Schrijf de bewerking op, reken uit en antwoord met een zin.

Oplossing

Oplossing van Oefening 15.7.

348+296=644348 + 296 = 644. De school heeft 644644 leerlingen.

Oefening 15.8

Een boek heeft 224224 bladzijden; Nora heeft er 178178 gelezen. Hoeveel bladzijden moet ze nog lezen?

Oplossing

Oplossing van Oefening 15.8.

224178=46224 - 178 = 46. Nora moet nog 4646 bladzijden lezen.

Oefening 15.9

Vul de gaten in (kolom voor kolom):

3?7+ ?2?862\begin{array}{r} 3\,?\,7 \\ +\ ?\,2\,? \\ \hline 8\,6\,2 \end{array}

Kunnen de drie gaten maar op één manier gevuld worden? Leg uit.

Oplossing

Oplossing van Oefening 15.9.

Eenheden: 7+?=27 + \text{?} = 2 kan niet, dus 7+5=127 + 5 = 12: in het gat bij de eenheden komt 55, en je onthoudt 11. Tientallen: ?+2+1=6\text{?} + 2 + 1 = 6: in het gat bij de tientallen komt 33 (niets te onthouden). Honderdtallen: 3+?=83 + \text{?} = 8: in het gat bij de honderdtallen komt 55. Dus 337+525=862337 + 525 = 862, en bij elk gat paste precies één cijfer — er is maar één manier.

Oefening 15.10 ★★

Een bakkerij verkocht ’s ochtends 145145 croissants en ’s middags 8989; bij sluitingstijd waren er 1717 croissants over. Hoeveel croissants zijn er die dag gebakken? (Twee stappen.)

Oplossing

Oplossing van Oefening 15.10.

Verkocht: 145+89=234145 + 89 = 234 croissants. Gebakken: verkocht plus de rest, 234+17=251234 + 17 = 251 croissants.

Oefening 15.11 ★★

Theo zegt: “om 500199500 - 199 uit te rekenen, reken ik 500200500 - 200 uit en tel er dan 11 bij op.” Heeft hij gelijk? Reken het op beide manieren uit en leg zijn truc uit.

Oplossing

Oplossing van Oefening 15.11.

Hij heeft gelijk: 500200=300500 - 200 = 300, plus 11 geeft 301301; en met cijferen is 500199500 - 199 ook 301301. Door 200200 weg te halen haal je er één te veel weg, dus moet je er één teruggeven — een vriendelijk buurgetal aftrekken en dan verbeteren is vaak sneller dan lenen.