Mathematics · Boek 1 · Grades 1–9

Wiskunde basisschool en onderbouw

Wiskunde basisschool en onderbouw · Grades 1–9

25Tienden en honderdsten

Tussen 33 en 44 zwijgen de hele getallen — en toch kan een hardloper 33 meter en een beetje voorliggen. De eenheid in tien en daarna in honderd stukken knippen geeft de decimale breuken, met een prachtige korte schrijfwijze: het decimaalteken. (Decimale getallen krijgen hun eigen hoofdstuk in Hoofdstuk 29.)

25.1 Decimale breuken

Definitie 25.1 (Tienden en honderdsten)

Een eenheid in 1010 gelijke delen knippen geeft tienden, 110\frac{1}{10}; elk tiende weer in 1010 delen knippen geeft honderdsten, 1100\frac{1}{100}. Dus

1=1010=100100,110=10100.1 = \frac{10}{10} = \frac{100}{100}, \qquad \frac{1}{10} = \frac{10}{100}.
Het honderdvierkant: tien kolommen van tien vakjes. Eén kolom is een tiende, één vakje een honderdste.
Het honderdvierkant: tien kolommen van tien vakjes. Eén kolom is een tiende, één vakje een honderdste.

Voorbeeld 25.2

Als je 33 kolommen en 77 losse vakjes van het honderdvierkant inkleurt, is er

310+7100=30100+7100=37100\frac{3}{10} + \frac{7}{100} = \frac{30}{100} + \frac{7}{100} = \frac{37}{100}

van het vierkant gekleurd — zevenendertig honderdsten.

25.2 Het decimaalteken

Definitie 25.3 (Decimale schrijfwijze)

Het getal 2+310+71002 + \frac{3}{10} + \frac{7}{100} schrijf je als

2.372.37

— het decimaalteken scheidt het hele deel (22) van het decimale deel; het eerste cijfer erachter telt de tienden, het tweede de honderdsten. Dit boek zet als decimaalteken een punt, zoals internationaal gebruikelijk is; je spreekt het uit als “komma”, en op school schrijf je meestal 2,372{,}37. Lezen: “twee komma drie zeven”, of “twee en zevenendertig honderdsten”.

Voorbeeld 25.4

710=0.7,43100=0.43,5100=0.05,3+410=3.4.\frac{7}{10} = 0.7, \qquad \frac{43}{100} = 0.43, \qquad \frac{5}{100} = 0.05, \qquad 3 + \frac{4}{10} = 3.4 .

Pas op bij 5100\frac{5}{100}: vijf honderdsten hebben een 00 op de plaats van de tienden nodig — 0.050.05, niet 0.50.5.

Inzoomen tussen 2 en 2.8: grote streepjes bij elk tiende, kleine streepjes bij elk honderdste. Het getal 2.37 ligt tussen 2.3 en 2.4, bij het 7de kleine streepje.
Inzoomen tussen 22 en 2.82.8: grote streepjes bij elk tiende, kleine streepjes bij elk honderdste. Het getal 2.372.37 ligt tussen 2.32.3 en 2.42.4, bij het 77de kleine streepje.

Voorbeeld 25.5 (Geld bestaat uit honderdsten)

Eén cent is één honderdste euro: een prijs van 4.854.85 betekent 44 hele euro’s en 8585 honderdsten. Met geld gebruik je het decimaalteken al elke dag: 1010 cent =0.10= 0.10; twee euro vijftig =2.50= 2.50; en 0.050.05 is een muntje van vijf cent, niet van vijftig!

25.3 Vergelijken met tienden

Methode 25.6 (Decimale getallen vergelijken (eerste kennismaking))

  1. Vergelijk eerst de hele delen: 3.2>2.93.2 > 2.9.
  2. Zijn de hele delen gelijk, vergelijk dan de tienden en daarna de honderdsten: 2.37<2.52.37 < 2.5, want 33 tienden <5< 5 tienden.
  3. Beide met twee decimalen schrijven helpt: 2.5=2.502.5 = 2.50, en 37<5037 < 50 honderdsten.

De valstrik: 2.372.37 heeft meer cijfers dan 2.52.5, maar is kleiner — meer cijfers betekent niet groter!

Voorbeeld 25.7

Zet 0.40.4, 0.350.35 en 0.090.09 op volgorde: in honderdsten zijn dat 0.400.40, 0.350.35 en 0.090.09; dus

0.09<0.35<0.4.0.09 < 0.35 < 0.4 .

25.4 Oefeningen

Oefening 25.1

Hoeveel is er op een honderdvierkant gekleurd als je inkleurt: 55 kolommen; 22 kolommen en 33 vakjes; 4545 vakjes? Antwoord met breuken.

Oplossing

Oplossing van Oefening 25.1.

55 kolommen: 510\frac{5}{10} (dus 50100\frac{50}{100}). 22 kolommen en 33 vakjes: 23100\frac{23}{100}. 4545 vakjes: 45100\frac{45}{100}.

Oefening 25.2

Schrijf met een decimaalteken: 910\frac{9}{10}; 27100\frac{27}{100}; 3100\frac{3}{100}; 5+6105 + \frac{6}{10}; 60100\frac{60}{100}.

Oplossing

Oplossing van Oefening 25.2.

0.90.9; 0.270.27; 0.030.03; 5.65.6; 0.60=0.60.60 = 0.6.

Oefening 25.3

Schrijf als breuk (tienden of honderdsten): 0.30.3; 0.510.51; 0.070.07; 1.91.9.

Oplossing

Oplossing van Oefening 25.3.

0.3=3100.3 = \frac{3}{10}; 0.51=511000.51 = \frac{51}{100}; 0.07=71000.07 = \frac{7}{100}; 1.9=1+910=19101.9 = 1 + \frac{9}{10} = \frac{19}{10}.

Oefening 25.4

In 6.586.58: wat telt het cijfer 55? En het cijfer 88? Splits het getal zoals in Definitie 25.3.

Oplossing

Oplossing van Oefening 25.4.

De 55 telt de tienden, de 88 de honderdsten:

6.58=6+510+8100.6.58 = 6 + \frac{5}{10} + \frac{8}{100}.

Oefening 25.5

Zet op een getallenlijn met streepjes per tiende van 44 tot 55: 4.24.2; 4.754.75 (tussen welke twee streepjes?); 4.94.9.

Oplossing

Oplossing van Oefening 25.5.

4.24.2: op het tweede streepje na 44. 4.754.75: tussen de streepjes 4.74.7 en 4.84.8, precies halverwege. 4.94.9: één streepje voor 55.

Oefening 25.6

Neem over en vul in met <<, >> of ==:

0.6  ?  0.60,2.8  ?  2.75,0.09  ?  0.1,5.3  ?  5.13.0.6 \;?\; 0.60, \qquad 2.8 \;?\; 2.75, \qquad 0.09 \;?\; 0.1, \qquad 5.3 \;?\; 5.13 .
Oplossing

Oplossing van Oefening 25.6.

0.6=0.600.6 = 0.60; 2.8>2.752.8 > 2.75 (vergelijk met 2.802.80); 0.09<0.10.09 < 0.1 (99 honderdsten tegen 1010); 5.3>5.135.3 > 5.13.

Oefening 25.7

Zet op volgorde, van klein naar groot: 1.051.05; 1.51.5; 0.950.95; 1.451.45.

Oplossing

Oplossing van Oefening 25.7.

0.95<1.05<1.45<1.50.95 < 1.05 < 1.45 < 1.5.

Oefening 25.8

Schrijf in decimale schrijfwijze: drie euro en vijf cent; twaalf euro en vijftig cent; negenennegentig cent. Zet daarna de drie prijzen op volgorde.

Oplossing

Oplossing van Oefening 25.8.

3.053.05; 12.5012.50; 0.990.99. Op volgorde: 0.99<3.05<12.500.99 < 3.05 < 12.50.

Oefening 25.9

Welke decimale getallen met één cijfer achter het decimaalteken liggen strikt tussen 33 en 44? Noem ze allemaal. Hoeveel zijn er?

Oplossing

Oplossing van Oefening 25.9.

3.13.1, 3.23.2, 3.33.3, 3.43.4, 3.53.5, 3.63.6, 3.73.7, 3.83.8, 3.93.9 — negen getallen.

Oefening 25.10 ★★

Tom zegt: “0.250.25 is groter dan 0.50.5, want 2525 is groter dan 55”. Laat hem met het honderdvierkant zien dat hij zich vergist (hoeveel vakjes kleurt elk getal in?).

Oplossing

Oplossing van Oefening 25.10.

Op het honderdvierkant kleurt 0.250.25 er 2525 vakjes, en 0.5=0.500.5 = 0.50 er 5050: 0.50.5 is dus groter. Tom vergeleek 2525 en 55 als hele getallen; hij moet 2525 en 5050 honderdsten vergelijken.

Oefening 25.11 ★★

De drie sprongen van een atleet waren 3.63.6 m, 3.583.58 m en 3.653.65 m. Zet de sprongen op volgorde, van kort naar lang. Welke twee schelen precies 5100\frac{5}{100} meter?

Oplossing

Oplossing van Oefening 25.11.

Op volgorde: 3.58<3.6<3.653.58 < 3.6 < 3.65. De sprongen 3.63.6 en 3.653.65 schelen 0.05=51000.05 = \frac{5}{100} meter (vijf centimeter).

Begrippen gedefinieerd in dit hoofdstuk

Bekijk alle 395 begrippen in de begrippenlijst