Mathematics · Book 1 · Grades 1–9

Wiskunde basisschool en onderbouw

Wiskunde basisschool en onderbouw · Grades 1–9

36Problemen en diagrammen

Het laatste hoofdstuk van het jaar zet alles aan het werk: meertrapsproblemen met geld, hoeveelheden en duren, en de diagrammen die informatie in één oogopslag presenteren. Het steridee is “per stuk” — de prijs van één artikel vinden — dat zal uitgroeien tot evenredigheid in Hoofdstuk 44.

36.1 Meertrapsproblemen

Methode 36.1 (Een lang probleem temmen)

  1. Lees tot het einde; zeg wat de eindvraag is;
  2. plan achteruit: om die te beantwoorden, wat heb ik eerst nodig?
  3. los de stappen op volgorde op, schrijf één bewerking en één korte zin per stap;
  4. controleer het eindantwoord tegen gezond verstand en tegen een schatting.

Voorbeeld 36.2

“Een school bestelt 44 dozen van 2525 boeken à 66 elk, en betaalt 180180 voor levering erbovenop. Wat is de totale kost?”

  1. Boeken: 4×25=1004 \times 25 = 100 boeken.
  2. Boekenkost: 100×6=600100 \times 6 = 600.
  3. Totaal: 600+180=780600 + 180 = 780.

Schattingscontrole: ongeveer honderd boeken à 66 is ongeveer 600600, plus ongeveer 200200: ongeveer 800800 — het antwoord 780780 is aannemelijk.

Voorbeeld 36.3 (Per stuk)

55 identieke mokken kosten 12.5012.50; wat kosten 88 mokken?” Vind eerst de prijs van één mok:

12.50÷5=2.50,dan8×2.50=20.12.50 \div 5 = 2.50, \qquad\text{dan}\qquad 8 \times 2.50 = 20 .

Via één wordt alles bereikbaar — dit tweestappenpatroon lost een hele familie problemen op (recepten, snelheden, prijzen), en is het zaad van Hoofdstuk 44.

Voorbeeld 36.4 (Wisselgeld en budget)

Zoe heeft 3030. Ze koopt een boek à 12.4012.40 en twee pennen à 2.302.30 elk. Kan ze ook een bordspel van 1313 betalen?

  1. Pennen: 2×2.30=4.602 \times 2.30 = 4.60.
  2. Tot nu uitgegeven: 12.40+4.60=1712.40 + 4.60 = 17.
  3. Over: 3017=1330 - 17 = 13 — precies genoeg voor het spel, met niets over.

36.2 Diagrammen lezen

Methode 36.5 (Elk diagram lezen)

  1. Lees de titel: wat wordt geteld?
  2. Lees de assen of de legenda: waar staat één streepje, één staaf, één symbool voor?
  3. Beantwoord pas daarna vragen — met een liniaal naar het diagram wijzen helpt hoogtes precies af te lezen.

Voorbeeld 36.6

Neerslag in een stad, maand voor maand:

Een staafdiagram van neerslag. Eén streepje = 20 mm.
Een staafdiagram van neerslag. Eén streepje =20= 20 mm.

Aflezingen: de natste maand is mei (8080 mm); juni kreeg de helft van aprils regen (3030 tegen 7070? nee — de helft van 7070 is 3535, dus niet helemaal de helft: precies lezen doet ertoe!); totaal voor de zes maanden: 60+45+55+70+80+30=34060 + 45 + 55 + 70 + 80 + 30 = 340 mm.

Voorbeeld 36.7 (Een veranderende hoeveelheid)

De hoogte van een plant, elke week gemeten:

De meetpunten verbinden toont de groei: hoe steiler het segment, hoe sneller de plant die week groeide.
De meetpunten verbinden toont de groei: hoe steiler het segment, hoe sneller de plant die week groeide.

De plant groeide het snelst tussen weken 33 en 44 (+5+5 cm) en vertraagde aan het eind (+2+2 cm in week 66).

36.3 Oefeningen

Oefening 36.1

Los in stappen op: “Een club huurt een bus voor 240240 en koopt 3232 museumkaartjes à 77 elk. Wat is de totale kost van de uitstap?”

Oplossing

Oplossing van Oefening 36.1.

Kaartjes: 32×7=22432 \times 7 = 224. Totaal: 240+224=464240 + 224 = 464.

Oefening 36.2

Los op met “per stuk”: “33 kg appels kosten 7.507.50. Wat kosten 55 kg?”

Oplossing

Oplossing van Oefening 36.2.

Per kg: 7.50÷3=2.507.50 \div 3 = 2.50. Vijf kg: 5×2.50=12.505 \times 2.50 = 12.50.

Oefening 36.3

Los op: “Zes vrienden delen even de kosten van 8787 van een picnic. Hoeveel betaalt elk?”

Oplossing

Oplossing van Oefening 36.3.

87÷6=14.587 \div 6 = 14.5: elk betaalt 14.5014.50.

Oefening 36.4

Sam heeft 2525. Hij koopt een T-shirt à 13.9013.90 en een pet à 8.508.50. Hoeveel geld heeft hij over?

Oplossing

Oplossing van Oefening 36.4.

Uitgegeven: 13.90+8.50=22.4013.90 + 8.50 = 22.40. Over: 2522.40=2.6025 - 22.40 = 2.60.

Oefening 36.5

Met het neerslagdiagram van Voorbeeld 36.6: welke maanden kregen meer dan 5050 mm? Hoeveel meer regen viel in mei dan in juni?

Oplossing

Oplossing van Oefening 36.5.

Meer dan 5050 mm: januari (6060), maart (5555), april (7070), mei (8080). Mei min juni: 8030=5080 - 30 = 50 mm.

Oefening 36.6

Met het plantdiagram van Voorbeeld 36.7: hoe hoog was de plant in week 22? Tussen welke weken groeide ze precies 44 cm?

Oplossing

Oplossing van Oefening 36.6.

Week 22: 66 cm. Groei van 44 cm: tussen weken 22 en 33 (6106 \to 10), en tussen weken 44 en 55 (151915 \to 19).

Oefening 36.7

Teken een staafdiagram voor het aantal doelpunten van een team: september 44, oktober 77, november 33, december 66. Kies de schaal, en geef het totaal.

Oplossing

Oplossing van Oefening 36.7.

Vier staven van hoogtes 44, 77, 33, 66 (schaal elke 11 of 22 doelpunten). Totaal: 4+7+3+6=204 + 7 + 3 + 6 = 20 doelpunten.

Oefening 36.8

Een pak van 88 yoghurts kost 3.203.20; los verkocht kost één yoghurt 0.500.50. Bereken de “per stuk”-prijs in het pak, en hoeveel men per yoghurt bespaart door het pak te kopen.

Oplossing

Oplossing van Oefening 36.8.

Pak per stuk: 3.20÷8=0.403.20 \div 8 = 0.40. Besparing per yoghurt: 0.500.40=0.100.50 - 0.40 = 0.10 (tien cent).

Oefening 36.9 ★★

“Een bioscoop verkocht 148148 kaartjes à 9.509.50 op zaterdag en 9595 kaartjes tegen dezelfde prijs op zondag. Hoeveel meer geld bracht zaterdag op dan zondag?” Los het op twee manieren op: beide dagen omzetten berekenen, of rekenen met het verschil in kaartjes — en controleer dat de antwoorden kloppen.

Oplossing

Oplossing van Oefening 36.9.

Manier 1: zaterdag 148×9.50=1406148 \times 9.50 = 1\,406; zondag 95×9.50=902.5095 \times 9.50 = 902.50; verschil 503.50503.50.

Manier 2: 14895=53148 - 95 = 53 meer kaartjes, elk 9.509.50 waard: 53×9.50=503.5053 \times 9.50 = 503.50. Zelfde antwoord — het verschil van de opbrengsten is de opbrengst van het verschil.

Oefening 36.10 ★★

Een recept voor 44 personen heeft 300300 g rijst nodig. Aline kookt voor 1010 personen. Hoeveel rijst heeft ze nodig? (Eerst per persoon — decimalen toegestaan.)

Oplossing

Oplossing van Oefening 36.10.

Per persoon: 300÷4=75300 \div 4 = 75 g. Voor tien: 10×75=75010 \times 75 = 750 g rijst.

Oefening 36.11 ★★

Bedenk een probleem in drie stappen met geld waarvan het eindantwoord 5.505.50 is, schrijf de volledige oplossing in de stijl van Methode 36.1, en test het bij een klasgenoot.

Oplossing

Oplossing van Oefening 36.11.

Veel juiste problemen — bijvoorbeeld: “Milo koopt 33 sappen à 1.201.20 elk en een sandwich à 3.403.40. Hij betaalt met een tegoedbon van 12.5012.50. Hoeveel van de tegoedbon blijft over?” Oplossing: sappen 3×1.20=3.603 \times 1.20 = 3.60; totaal uitgegeven 3.60+3.40=73.60 + 3.40 = 7; over 12.507=5.5012.50 - 7 = 5.50.