Mathematics · Book 1 · Grades 1–9

Wiskunde basisschool en onderbouw

Wiskunde basisschool en onderbouw · Grades 1–9

2Optellen: eerste stappen

Drie rode knikkers en twee blauwe knikkers: samen, hoeveel? Bij elkaar doen en het geheel tellen is optellen — de eerste bewerking, met haar twee bekende tekens ++ en ==.

2.1 Bij elkaar doen

Definitie 2.1 (Optelling)

Optellen betekent bij elkaar doen en alles tellen. We schrijven

3+2=53 + 2 = 5

en lezen: “drie plus twee is vijf”. Het antwoord van een optelling heet de som.

Een optelling in plaatjes: de twee groepen samen maken één groep van vijf.
Een optelling in plaatjes: de twee groepen samen maken één groep van vijf.

Voorbeeld 2.2 (De volgorde doet er niet toe)

2+32 + 3 en 3+23 + 2 doen dezelfde knikkers bij elkaar: beide maken 55. Om 2+92 + 9 uit te rekenen is het sneller om bij het grotere getal te beginnen: zeg “negen”, en tel er twee bij — “tien, elf”. Dus 2+9=112 + 9 = 11.

2.2 De tientalvrienden

Voorbeeld 2.3 (Aanvullingen tot 10)

Twee getallen die samen 1010 maken, zijn “tientalvrienden”:

1+9,2+8,3+7,4+6,5+5.1 + 9, \quad 2 + 8, \quad 3 + 7, \quad 4 + 6, \quad 5 + 5 .

Tien vingers laten ze allemaal zien: steek 33 vingers op, en de 77 gevouwen vingers zijn de vriend. De tientalvrienden uit het hoofd kennen maakt veel optellingen snel.

Het tientalraam toont elk paar tientalvrienden in één oogopslag: wat gevuld is en wat ontbreekt, maken altijd samen 10.
Het tientalraam toont elk paar tientalvrienden in één oogopslag: wat gevuld is en wat ontbreekt, maken altijd samen 1010.

Methode 2.4 (Over de tien)

Om 8+58 + 5 uit te rekenen:

  1. neem van de 55 wat de 88 nodig heeft om 1010 te bereiken: dat is 22 (zijn tientalvriend);
  2. 8+2=108 + 2 = 10, en er blijft 33 over van de 55;
  3. 10+3=1310 + 3 = 13. Dus 8+5=138 + 5 = 13.

Via 1010 wordt een moeilijke som twee makkelijke.

8 + 5 op een tientalraam: de 8 blauwe fiches nemen 2 van de 5 rode om het raam te vullen — één vol tiental en 3 erbij, dus 13.
8+58 + 5 op een tientalraam: de 88 blauwe fiches nemen 22 van de 55 rode om het raam te vullen — één vol tiental en 33 erbij, dus 1313.
8 + 5 op de getallenlijn: spring eerst naar 10, daarna de rest.
8+58 + 5 op de getallenlijn: spring eerst naar 1010, daarna de rest.

Voorbeeld 2.5 (Verdubbelingen)

De verdubbelingen zijn de moeite waard om uit het hoofd te leren:

1+1=2,2+2=4,3+3=6,4+4=8,5+5=10,1+1=2, \quad 2+2=4, \quad 3+3=6, \quad 4+4=8, \quad 5+5=10,
6+6=12,7+7=14,8+8=16,9+9=18,10+10=20.6+6=12, \quad 7+7=14, \quad 8+8=16, \quad 9+9=18, \quad 10+10=20 .

Bijna-verdubbelingen krijg je gratis: 6+76 + 7 is één meer dan 6+66 + 6, dus 1313.

2.3 Kleine sommen

Voorbeeld 2.6

“Lea heeft 77 stickers. Ze krijgt er 66 bij. Hoeveel nu?” Meer krijgen betekent optellen: 7+6=137 + 6 = 13 (via tien: 7+3=107 + 3 = 10, daarna +3+3). Lea heeft 1313 stickers. Eindig altijd met een kort zinnetje!

2.4 Oefeningen

Oefening 2.1

Teken de knikkers en reken uit: 4+34 + 3; 5+25 + 2; 6+46 + 4.

Oplossing

Oplossing van Oefening 2.1.

4+3=74 + 3 = 7; 5+2=75 + 2 = 7; 6+4=106 + 4 = 10.

Oefening 2.2

Reken uit door bij het grotere getal te beginnen: 3+83 + 8; 2+122 + 12; 4+94 + 9.

Oplossing

Oplossing van Oefening 2.2.

3+8=113 + 8 = 11 (begin bij 88, tel er 33 bij); 2+12=142 + 12 = 14; 4+9=134 + 9 = 13.

Oefening 2.3

Geef de tientalvriend van: 77; 44; 99; 55; 11.

Oplossing

Oplossing van Oefening 2.3.

Tientalvrienden: 737 \to 3; 464 \to 6; 919 \to 1; 555 \to 5; 191 \to 9.

Oefening 2.4

Reken uit via de tien (Methode 2.4): 9+49 + 4; 8+78 + 7; 6+56 + 5.

Oplossing

Oplossing van Oefening 2.4.

9+4=139 + 4 = 13 (9+1=109 + 1 = 10, daarna +3+3); 8+7=158 + 7 = 15 (8+2=108 + 2 = 10, daarna +5+5); 6+5=116 + 5 = 11 (6+4=106 + 4 = 10, daarna +1+1).

Oefening 2.5

Zeg de verdubbelingen op, en reken er dan mee uit: 7+87 + 8; 5+65 + 6; 9+89 + 8.

Oplossing

Oplossing van Oefening 2.5.

7+8=157 + 8 = 15 (één meer dan 7+7=147 + 7 = 14); 5+6=115 + 6 = 11 (één meer dan 5+55 + 5); 9+8=179 + 8 = 17 (één minder dan 9+9=189 + 9 = 18).

Oefening 2.6

Vul de gaten:

6+  ?  =10,  ?  +5=12,10+  ?  =17.6 + \;?\; = 10, \qquad \;?\; + 5 = 12, \qquad 10 + \;?\; = 17 .
Oplossing

Oplossing van Oefening 2.6.

6+4=106 + 4 = 10; 7+5=127 + 5 = 12; 10+7=1710 + 7 = 17.

Oefening 2.7

“In de bus zitten 88 kinderen; 55 volwassenen stappen in. Hoeveel mensen zitten er in de bus?” Schrijf de optelling en het antwoordzinnetje.

Oplossing

Oplossing van Oefening 2.7.

8+5=138 + 5 = 13. Er zitten 1313 mensen in de bus.

Oefening 2.8

Tom heeft 66 rode auto’s en 77 blauwe auto’s. Mia heeft 1010 auto’s. Wie heeft meer auto’s?

Oplossing

Oplossing van Oefening 2.8.

Tom heeft 6+7=136 + 7 = 13 auto’s, Mia heeft 1010: Tom heeft er meer.

Oefening 2.9 ★★

Drie dobbelstenen laten 44, 66 en 55 zien. Wat is het totaal? (Tel eerst twee stenen op — kies de twee die een tientalvriend maken!)

Oplossing

Oplossing van Oefening 2.9.

Tel eerst de tientalvrienden 44 en 66 op: 4+6=104 + 6 = 10, daarna 10+5=1510 + 5 = 15. Het totaal is 1515.