Mathematics · Boek 1 · Grades 1–9

Wiskunde basisschool en onderbouw

Wiskunde basisschool en onderbouw · Grades 1–9

17Verdelen en delen

Twintig knikkers eerlijk verdeeld over vier kinderen: hoeveel krijgt ieder? Delen antwoordt op alle verdeelvragen — en ook op de groepeervragen — en het is de tweeling van het vermenigvuldigen: het ene maakt het andere ongedaan.

17.1 Twee kanten van het delen

Definitie 17.1 (Delen)

De deling 20÷420 \div 4 antwoordt op twee soorten vragen:

  • verdelen: 2020 knikkers verdeeld over 44 kinderen — hoeveel knikkers krijgt ieder? (55 elk);
  • groeperen: 2020 knikkers in zakjes van 44 — hoeveel zakjes? (55 zakjes).

Beide vragen hebben dezelfde uitkomst, want beide maken dezelfde vermenigvuldiging ongedaan: 4×5=204 \times 5 = 20.

20 verdeeld over 4 gelijke groepjes. Groeperen per 4 zou 5 groepjes geven — dezelfde deling.
2020 verdeeld over 44 gelijke groepjes. Groeperen per 44 zou 55 groepjes geven — dezelfde deling.

Methode 17.2 (Delen met de tafels)

Om 42÷642 \div 6 uit te rekenen, vraag je: “66 keer wat is 4242?” De tafel van 66 antwoordt: 6×7=426 \times 7 = 42, dus 42÷6=742 \div 6 = 7. Elke deelvraag is een vermenigvuldigvraag, achterstevoren gelezen.

17.2 Als het niet precies uitkomt

Definitie 17.3 (Rest)

2323 knikkers verdelen over 44 kinderen geeft 55 knikkers elk — en 33 knikkers die overblijven, te weinig voor nog een ronde. We schrijven

23=4×5+3,23 = 4 \times 5 + 3 ,

en zeggen: het quotiënt is 55, de rest is 33. De rest is altijd kleiner dan het aantal kinderen — anders zou er nog een ronde verdeeld kunnen worden.

23 verdelen over 4: na 5 ronden blijven er 3 knikkers over — te weinig voor een 6de ronde.
2323 verdelen over 44: na 55 ronden blijven er 33 knikkers over — te weinig voor een 66de ronde.

Voorbeeld 17.4

Deel 5858 door 77. Loop de tafel van 77 langs: 7×8=567 \times 8 = 56 is het grootste product dat onder 5858 blijft (7×9=637 \times 9 = 63 is te veel). Dus

58=7×8+2:58 = 7 \times 8 + 2 :

quotiënt 88, rest 22. Controle: 56+2=5856 + 2 = 58, en 2<72 < 7.

Methode 17.5 (De rest uitleggen)

Ga na het delen terug naar het verhaal:

  1. “hoeveel elk / hoeveel volle groepjes?” — het quotiënt;
  2. “hoeveel blijft er over?” — de rest;
  3. “hoeveel dozen om alles in te doen?” — het quotiënt plus één als de rest niet nul is.

Voorbeeld 17.6

5858 leerlingen gaan kanoën, 77 per kano. 58=7×8+258 = 7 \times 8 + 2: acht kano’s zijn vol, en er blijven 22 leerlingen over — die hebben ook een kano nodig. Er moeten dus 99 kano’s worden gereserveerd.

17.3 Helften, derde delen, kwarten

Definitie 17.7 (Helft, derde deel, kwart)

De helft van een getal is de uitkomst van de deling door 22; het derde deel van de deling door 33; het kwart van de deling door 44. Zo is de helft van 1818 gelijk aan 99, het derde deel van 1818 gelijk aan 66, en het kwart van 3636 gelijk aan 99.

Voorbeeld 17.8 (Dubbels en helften horen bij elkaar)

De helft van 4646: omdat 46=40+646 = 40 + 6, geeft de helft van elk deel 20+3=2320 + 3 = 23. Controleer met het dubbele: 23+23=4623 + 23 = 46. Wie de dubbels uit het hoofd kent (255025 \to 50, 459045 \to 90, 150300150 \to 300), vindt helften in een oogwenk.

17.4 Oefeningen

Oefening 17.1

Reken uit met de tafels achterstevoren: 36÷436 \div 4; 63÷963 \div 9; 40÷540 \div 5; 56÷856 \div 8.

Oplossing

Oplossing van Oefening 17.1.

36÷4=936 \div 4 = 9 (want 4×9=364 \times 9 = 36); 63÷9=763 \div 9 = 7; 40÷5=840 \div 5 = 8; 56÷8=756 \div 8 = 7.

Oefening 17.2

Schrijf bij elke deling de gelijkheid a=b×q+ra = b \times q + r op en geef het quotiënt en de rest: 17÷517 \div 5; 30÷430 \div 4; 50÷650 \div 6.

Oplossing

Oplossing van Oefening 17.2.

17=5×3+217 = 5 \times 3 + 2: quotiënt 33, rest 22.

30=4×7+230 = 4 \times 7 + 2: quotiënt 77, rest 22.

50=6×8+250 = 6 \times 8 + 2: quotiënt 88, rest 22.

Oefening 17.3

2828 knikkers worden verdeeld over 66 kinderen. Hoeveel knikkers krijgt ieder, en hoeveel blijven er over? Teken de verdeling als dat helpt.

Oplossing

Oplossing van Oefening 17.3.

28=6×4+428 = 6 \times 4 + 4: elk kind krijgt 44 knikkers, en er blijven 44 knikkers over.

Oefening 17.4

Reken uit: de helft van 6868; het derde deel van 2727; het kwart van 4848; de helft van 150150.

Oplossing

Oplossing van Oefening 17.4.

Helft van 6868: 3434. Derde deel van 2727: 99. Kwart van 4848: 1212. Helft van 150150: 7575.

Oefening 17.5

Waar of niet waar? Controleer met een vermenigvuldiging. “45÷5=945 \div 5 = 9”; “52÷6=852 \div 6 = 8 rest 44”; “70÷8=970 \div 8 = 9 rest 22”.

Oplossing

Oplossing van Oefening 17.5.

45÷5=945 \div 5 = 9”: waar, 5×9=455 \times 9 = 45.

52÷6=852 \div 6 = 8 rest 44”: waar, 6×8+4=526 \times 8 + 4 = 52 en 4<64 < 6.

70÷8=970 \div 8 = 9 rest 22”: niet waar — 8×9+2=748 \times 9 + 2 = 74 en niet 7070. Juist is: 70=8×8+670 = 8 \times 8 + 6.

Oefening 17.6

3232 foto’s worden in een album geplakt, 44 per bladzijde. Hoeveel bladzijden zijn er nodig? Welke kant van het delen is dit (verdelen of groeperen)?

Oplossing

Oplossing van Oefening 17.6.

32÷4=832 \div 4 = 8 bladzijden. Dit is groeperen: de foto’s worden in groepjes van 44 gelegd en we tellen de groepjes.

Oefening 17.7

Een touw van 7575 cm wordt in stukken van 99 cm geknipt. Hoeveel hele stukken krijg je, en hoe lang is het stukje dat overblijft?

Oplossing

Oplossing van Oefening 17.7.

75=9×8+375 = 9 \times 8 + 3: acht hele stukken, en een stukje van 33 cm dat overblijft.

Oefening 17.8

5050 kinderen gaan op excursie in auto’s met 44 plaatsen. Hoeveel auto’s zijn er nodig? (Pas op: iedereen moet mee!)

Oplossing

Oplossing van Oefening 17.8.

50=4×12+250 = 4 \times 12 + 2: twaalf auto’s vervoeren 4848 kinderen, en 22 kinderen moeten nog mee. Er zijn 1313 auto’s nodig.

Oefening 17.9

Zoek de ontbrekende getallen: ?÷7=6? \div 7 = 6; 54÷?=654 \div ? = 6; de helft van ?? is 3535.

Oplossing

Oplossing van Oefening 17.9.

?=7×6=42? = 7 \times 6 = 42. 54÷9=654 \div 9 = 6, dus de ontbrekende deler is 99. Het getal waarvan de helft 3535 is, is 7070.

Oefening 17.10 ★★

Amina verdeelt haar 4747 stickers zo eerlijk mogelijk onder haar 55 vriendinnen en houdt wat overblijft zelf. Hoeveel stickers krijgt elke vriendin, en hoeveel houdt Amina?

Oplossing

Oplossing van Oefening 17.10.

47=5×9+247 = 5 \times 9 + 2: elke vriendin krijgt 99 stickers, en Amina houdt de rest, 22 stickers.

Oefening 17.11 ★★

Welke resten zijn er allemaal mogelijk bij een deling door 66? Wat is het grootste getal waarvan de deling door 66 quotiënt 77 heeft?

Oplossing

Oplossing van Oefening 17.11.

Bij een deling door 66 is de rest altijd kleiner dan 66: hij kan 00, 11, 22, 33, 44 of 55 zijn. Het grootste getal met quotiënt 77 gebruikt de grootste rest: 6×7+5=476 \times 7 + 5 = 47.

Begrippen gedefinieerd in dit hoofdstuk

Bekijk alle 395 begrippen in de begrippenlijst