Mathematics · Boek 1 · Grades 1–9

Wiskunde basisschool en onderbouw

Wiskunde basisschool en onderbouw · Grades 1–9

8Optellen met onthouden

Als de eenheden van een som voorbij negen komen, bundelen tien ervan zich tot een nieuw tiental — en dat bundeltje, dat naar de volgende kolom verhuist, is het beroemde onthoudcijfer. Dit hoofdstuk legt het onthouden uit met stokjes en oefent daarna het cijferen.

8.1 Waarom we onthouden

Voorbeeld 8.1 (Tien eenheden bundelen)

27+1527 + 15: voeg de eenheden samen, 7+5=127 + 5 = 12 eenheden. Maar tien eenheden maken een tiental! Bundel er tien: er blijven 22 losse eenheden over en één nieuw tiental om te onthouden. Dan de tientallen: 2+1+1=42 + 1 + 1 = 4 tientallen. Dus 27+15=4227 + 15 = 42.

Het onthoudcijfer is een bundel: tien losse eenheden worden één tiental, dat naar de kolom van de tientallen verhuist.
Het onthoudcijfer is een bundel: tien losse eenheden worden één tiental, dat naar de kolom van de tientallen verhuist.

8.2 Het cijferen

Methode 8.2 (Onder elkaar optellen)

  1. Schrijf de getallen onder elkaar, eenheden onder eenheden, tientallen onder tientallen;
  2. tel de eenheden op; komt de uitkomst voorbij 99, schrijf dan het cijfer van de eenheden op en zet een kleine 11 boven de tientallen;
  3. tel de tientallen op (met het onthoudcijfer erbij), dan de honderdtallen;
  4. controleer met een schatting: rond elk getal af en tel ruwweg op.

Voorbeeld 8.3

Reken 268+156268 + 156 uit:

1 1 0268+ 156424\begin{array}{r} {\scriptstyle 1}\ {\scriptstyle 1}\ \phantom{0} \\[-3pt] 2\,6\,8 \\ +\ 1\,5\,6 \\ \hline 4\,2\,4 \end{array}

Eenheden: 8+6=148 + 6 = 14: schrijf 44, onthoud 11. Tientallen: 6+5+1=126 + 5 + 1 = 12: schrijf 22, onthoud 11. Honderdtallen: 2+1+1=42 + 1 + 1 = 4. Controle met een schatting: ongeveer 270+160=430270 + 160 = 430, dicht bij 424424. ✓

8.3 Hoofdrekenen

Voorbeeld 8.4 (Maak een tiental)

Spring bij kleine sommen eerst naar een rond getal:

48+6=48+2+4=50+4=54.48 + 6 = 48 + 2 + 4 = 50 + 4 = 54 .

Tel tientallen en eenheden apart op: 35+23=(30+20)+(5+3)=50+8=5835 + 23 = (30 + 20) + (5 + 3) = 50 + 8 = 58. En een truc bij bijna-honderd: 99+46=100+461=14599 + 46 = 100 + 46 - 1 = 145.

Voorbeeld 8.5 (Een verhaaltje)

“De bibliotheek heeft 185185 boeken; er komen 5757 nieuwe bij. Hoeveel boeken zijn er nu?” Optellen: 185+57=242185 + 57 = 242 (eenheden 5+7=125 + 7 = 12, onthoud …). De bibliotheek heeft 242242 boeken.

8.4 Oefeningen

Oefening 8.1

Reken uit (zonder onthouden): 34+2534 + 25; 126+43126 + 43; 507+82507 + 82.

Oplossing

Oplossing van Oefening 8.1.

34+25=5934 + 25 = 59; 126+43=169126 + 43 = 169; 507+82=589507 + 82 = 589.

Oefening 8.2

Reken uit met onthouden: 47+847 + 8; 56+2756 + 27; 65+1965 + 19.

Oplossing

Oplossing van Oefening 8.2.

47+8=5547 + 8 = 55; 56+27=8356 + 27 = 83; 65+19=8465 + 19 = 84.

Oefening 8.3

Tel onder elkaar op: 268+145268 + 145; 374+158374 + 158; 429+293429 + 293.

Oplossing

Oplossing van Oefening 8.3.

268+145=413268 + 145 = 413; 374+158=532374 + 158 = 532; 429+293=722429 + 293 = 722.

Oefening 8.4

Reken uit het hoofd door een tiental te maken: 38+538 + 5; 67+667 + 6; 54+854 + 8.

Oplossing

Oplossing van Oefening 8.4.

38+5=38+2+3=4338 + 5 = 38 + 2 + 3 = 43; 67+6=67+3+3=7367 + 6 = 67 + 3 + 3 = 73; 54+8=54+6+2=6254 + 8 = 54 + 6 + 2 = 62.

Oefening 8.5

Reken uit door tientallen en eenheden apart op te tellen: 42+3642 + 36; 53+2453 + 24; 61+2861 + 28.

Oplossing

Oplossing van Oefening 8.5.

42+36=70+8=7842 + 36 = 70 + 8 = 78; 53+24=70+7=7753 + 24 = 70 + 7 = 77; 61+28=80+9=8961 + 28 = 80 + 9 = 89.

Oefening 8.6

Schat eerst (rond af op het naaste tiental of honderdtal) en reken dan precies uit: 58+3458 + 34; 296+187296 + 187.

Oplossing

Oplossing van Oefening 8.6.

58+3458 + 34: schatting 60+30=9060 + 30 = 90; precies 9292. 296+187296 + 187: schatting 300+200=500300 + 200 = 500; precies 483483.

Oefening 8.7

“Ana heeft 128128 knikkers, Tom heeft er 9595. Hoeveel hebben ze samen?” Schrijf de optelling en de antwoordzin.

Oplossing

Oplossing van Oefening 8.7.

128+95=223128 + 95 = 223. Samen hebben ze 223223 knikkers.

Oefening 8.8

Vul het gat bij de eenheden in: 3?+27=643\,?\, + 27 = 64 (zoek het ontbrekende cijfer van de eenheden van het eerste getal).

Oplossing

Oplossing van Oefening 8.8.

Het eerste getal plus 2727 is 6464, dus het is 6427=3764 - 27 = 37: het ontbrekende cijfer van de eenheden is 77 (het getal is 3737).

Oefening 8.9

Twee klassen gaan naar de voorstelling: 2727 en 2828 kinderen, plus 66 volwassenen. Hoeveel mensen zijn dat in totaal? (Tel eerst de twee klassen bij elkaar op.)

Oplossing

Oplossing van Oefening 8.9.

Kinderen: 27+28=5527 + 28 = 55; met de volwassenen erbij 55+6=6155 + 6 = 61 mensen.

Oefening 8.10 ★★

Zoek in de rij 2727, 3333, 4040, 6565 drie getallen die samen 100100 maken. (Zoek eerst twee getallen waarvan de eenheden vriendjes van tien zijn.)

Oplossing

Oplossing van Oefening 8.10.

2727 en 3333 hebben als eenheden 77 en 33 (vriendjes van tien): 27+33=6027 + 33 = 60, en dan 60+40=10060 + 40 = 100. De drie getallen zijn 2727, 3333 en 4040.