Mathematics · Boek 1 · Grades 1–9

Wiskunde basisschool en onderbouw

Wiskunde basisschool en onderbouw · Grades 1–9

20Vraagstukken oplossen

De vier bewerkingen kennen is één ding; weten welke een verhaal nodig heeft, is iets anders. Dit hoofdstuk geeft een aanpak voor vraagstukken — elke keer dezelfde vier stappen — en leert je gegevens uit tabellen en pictogrammen halen.

20.1 De vier stappen

Methode 20.1 (Een vraagstuk oplossen)

  1. Lees het vraagstuk twee keer; zeg in je eigen woorden wat er gevraagd wordt en wat je weet.
  2. Kies de bewerking: maak een snelle schets of strookjes als de keuze niet duidelijk is.
  3. Reken uit, cijferend of uit het hoofd, met een schatting als vangnet.
  4. Antwoord met een volledige zin, met de eenheid erbij — en ga na of het antwoord zinnig is (een kind weegt geen 300300 kg).

Voorbeeld 20.2 (Welke bewerking?)

De woorden geven een hint, de schets beslist:

  • samenvoegen / in totaal: optellen;
  • wegnemen / hoeveel meer / wat ontbreekt: aftrekken;
  • zoveel groepjes van zoveel / zoveel keer: vermenigvuldigen;
  • eerlijk verdelen / hoeveel groepjes: delen.
Strookjes maken de bewerking zichtbaar: delen naast elkaar vragen om een optelling; twee strookjes die vergeleken worden, vragen om een aftrekking.
Strookjes maken de bewerking zichtbaar: delen naast elkaar vragen om een optelling; twee strookjes die vergeleken worden, vragen om een aftrekking.

Voorbeeld 20.3 (Een vraagstuk in twee stappen)

“Maya koopt 33 pakken van 66 flesjes en drinkt er 22 op. Hoeveel flesjes blijven er over?”

  1. Gevraagd: het aantal flesjes dat overblijft. Bekend: 33 pakken van 66; 22 opgedronken.
  2. Schets: 33 groepjes van 66, en dan 22 eraf. Twee bewerkingen!
  3. Uitrekenen: 3×6=183 \times 6 = 18, en dan 182=1618 - 2 = 16.
  4. Antwoordzin: er blijven 1616 flesjes over.

Stop nooit na de eerste bewerking: lees de vraag opnieuw om te zien of het verhaal al af is.

Voorbeeld 20.4 (Een getal te veel)

“Een bakker van 5252 jaar bakt 120120 broodjes en verkoopt er 8585. Hoeveel broodjes blijven er over?” De leeftijd staat er om je af te leiden: voor het antwoord heb je alleen 12085=35120 - 85 = 35 broodjes nodig. Sorteer voor het rekenen altijd de getallen: welke gebruikt de vraag echt?

20.2 Tabellen en pictogrammen lezen

Voorbeeld 20.5 (Een tabel)

Uitgeleende boeken in de bibliotheek:

stripsromansnon-fictietotaal
week 1141499662929
week 211111212883131

Aflezen: week 2, romans: 1212. Rekenen met de tabel: in de twee weken samen zijn er 14+11=2514 + 11 = 25 strips uitgeleend; de drukste week was week 2 (31>2931 > 29).

Voorbeeld 20.6 (Een pictogram)

In een pictogram staat één symbool voor een vast aantal — lees eerst de legenda!

Een pictogram: maandag heeft 3 stippen, dus 3 × 4 = 12 gebakjes; dinsdag 5 stippen, 20 gebakjes; woensdag 3 stippen, 12 gebakjes.
Een pictogram: maandag heeft 33 stippen, dus 3×4=123 \times 4 = 12 gebakjes; dinsdag 55 stippen, 2020 gebakjes; woensdag 33 stippen, 1212 gebakjes.

20.3 Oefeningen

Oefening 20.1

Noem bij elk verhaal alleen de bewerking (reken niet uit): een kudde van 4848 schapen sluit zich aan bij een kudde van 3737; 5656 kersen verdeeld over 77 kinderen; 99 dozen van 88 potloden; Ali had 7171 kaarten en gaf er 1818 weg.

Oplossing

Oplossing van Oefening 20.1.

Kuddes die samengaan: optelling. Kersen verdelen: deling. Dozen potloden: vermenigvuldiging. Kaarten weggeven: aftrekking.

Oefening 20.2

Los op met de vier stappen: “Op een parkeerterrein staan ’s ochtends 246246 auto’s; rond het middaguur komen er 158158 bij. Hoeveel auto’s staan er nu?”

Oplossing

Oplossing van Oefening 20.2.

Gevraagd: het aantal auto’s nu. Bekend: 246246, en dan 158158 erbij. Bewerking: optelling. Uitrekenen: 246+158=404246 + 158 = 404. Antwoordzin: er staan nu 404404 auto’s op het parkeerterrein.

Oefening 20.3

Los op: “Een touw van 9090 m wordt in stukken van 99 m geknipt. Hoeveel stukken krijg je?”

Oplossing

Oplossing van Oefening 20.3.

Een deling waarbij je groepeert: 90÷9=1090 \div 9 = 10. Het touw geeft 1010 stukken.

Oefening 20.4

Los op: “Kaartjes kosten 88 per stuk. Wat kosten 2626 kaartjes?”

Oplossing

Oplossing van Oefening 20.4.

Vermenigvuldiging: 26×8=20826 \times 8 = 208. De kaartjes kosten 208208.

Oefening 20.5

Teken strookjes en los dan op: “Emma heeft 6464 stickers, Hugo heeft er 2929 minder. Hoeveel heeft Hugo?”

Oplossing

Oplossing van Oefening 20.5.

Vergelijkingsstrookjes: het strookje van Emma is 6464, dat van Hugo is 2929 korter. Aftrekking: 6429=3564 - 29 = 35. Hugo heeft 3535 stickers.

Oefening 20.6

Twee stappen: “In een krat gaan 4545 appels. Een groenteboer krijgt 66 kratten en verkoopt 178178 appels. Hoeveel appels blijven over?”

Oplossing

Oplossing van Oefening 20.6.

Ontvangen: 6×45=2706 \times 45 = 270 appels. Over: 270178=92270 - 178 = 92 appels.

Oefening 20.7

Gebruik de tabel van Voorbeeld 20.5: hoeveel non-fictieboeken zijn er in de twee weken samen uitgeleend? Hoeveel romans meer in week 2 dan in week 1?

Oplossing

Oplossing van Oefening 20.7.

Non-fictieboeken: 6+8=146 + 8 = 14. Romans: 129=312 - 9 = 3 meer in week 2.

Oefening 20.8

Gebruik het pictogram van Voorbeeld 20.6: hoeveel gebakjes zijn er in de drie dagen samen verkocht? Op welke dag zijn er de meeste verkocht?

Oplossing

Oplossing van Oefening 20.8.

Maandag 1212, dinsdag 2020, woensdag 1212: in totaal 12+20+12=4412 + 20 + 12 = 44 gebakjes. De beste dag was dinsdag.

Oefening 20.9

In dit vraagstuk staat een getal te veel — zoek het en los dan op: “Een boek van 210210 bladzijden kost 1212. Leo leest 3535 bladzijden per dag. Hoeveel dagen heeft hij nodig om het boek uit te lezen?”

Oplossing

Oplossing van Oefening 20.9.

Het getal te veel is de prijs (1212). Deling: 210÷35=6210 \div 35 = 6 (want 35×6=21035 \times 6 = 210). Leo heeft 66 dagen nodig.

Oefening 20.10 ★★

“Een gezin van 22 volwassenen en 33 kinderen gaat naar het museum. Een kaartje voor een volwassene kost 99, een kinderkaartje 44. Ze betalen met een biljet van 5050. Hoeveel wisselgeld krijgen ze?” (Drie stappen: volwassenen, kinderen, en dan het wisselgeld.)

Oplossing

Oplossing van Oefening 20.10.

Volwassenen: 2×9=182 \times 9 = 18. Kinderen: 3×4=123 \times 4 = 12. Totaalprijs: 18+12=3018 + 12 = 30. Wisselgeld: 5030=2050 - 30 = 20. Ze krijgen 2020 terug.

Oefening 20.11 ★★

Verzin zelf een vraagstuk in twee stappen met 100100 als antwoord, schrijf de oplossing met de vier stappen op, en test het bij een klasgenoot.

Oplossing

Oplossing van Oefening 20.11.

Er zijn veel goede antwoorden — bijvoorbeeld: “Een bloemist maakt 88 bossen van 1515 bloemen en haalt er daarna 2020 verwelkte bloemen uit. Hoeveel bloemen blijven over?” Oplossing: 8×15=1208 \times 15 = 120, en dan 12020=100120 - 20 = 100.