Mathematics · Boek 1 · Grades 1–9

Wiskunde basisschool en onderbouw

Wiskunde basisschool en onderbouw · Grades 1–9

48Uitdrukkingen met letters

Een letter in een berekening staat voor een getal dat we nog niet kennen, of voor alle getallen tegelijk: P=4zP = 4z schrijven geeft de omtrek van elk vierkant in één formule. Dit hoofdstuk leert de schrijfafspraken, het invullen van waarden en het vereenvoudigen van eenvoudige uitdrukkingen — het begin van de algebra, die in Hoofdstuk 57 verdergaat.

48.1 Schrijven met letters

Definitie 48.1 (Uitdrukking met letters)

Een uitdrukking met letters is een berekening met een of meer letters, die elk voor een getal staan. De schrijfafspraken:

  • het teken ×\times valt weg voor een letter of een haakje: 3×a=3a3 \times a = 3a, a×b=aba \times b = ab, 2×(x+5)=2(x+5)2 \times (x + 5) = 2(x + 5);
  • maar het blijft staan tussen twee getallen: 3×53 \times 5 mag je niet als 3535 schrijven!
  • a×aa \times a schrijf je als a2a^2 (“aa kwadraat”), en a×a×a=a3a \times a \times a = a^3;
  • 1a1a schrijf je als aa, en 0a0a is 00.

Voorbeeld 48.2

Vereenvoudig de schrijfwijze:

5×x+3×y=5x+3y,a×7=7a (getal vooraan),x×x×4=4x2.5 \times x + 3 \times y = 5x + 3y, \qquad a \times 7 = 7a \ \text{(getal vooraan)}, \qquad x \times x \times 4 = 4x^2 .

Voorbeeld 48.3 (Formules zijn uitdrukkingen met letters)

Voor een rechthoek met lengte ll en breedte bb: omtrek P=2(l+b)P = 2(l + b), oppervlakte A=lbA = lb. Eén formule vat de oneindig veel rechthoeken samen — en dat is precies waar letters voor zijn.

Twee formules die voor elke rechthoek geldig zijn: vul de waarden van l en b in om getallen te krijgen.
Twee formules die voor elke rechthoek geldig zijn: vul de waarden van ll en bb in om getallen te krijgen.

48.2 Invullen

Methode 48.4 (Een uitdrukking uitrekenen)

Om een uitdrukking voor gegeven waarden van haar letters uit te rekenen:

  1. schrijf de uitdrukking met de verborgen ×\times-tekens erbij: 3a+a23a + a^2 is 3×a+a×a3 \times a + a \times a;
  2. vervang elke letter door haar waarde, met haakjes eromheen als dat nodig is;
  3. reken uit, met de voorrangsregels van Hoofdstuk 45.

Voorbeeld 48.5

Reken E=3x+x2E = 3x + x^2 uit voor x=5x = 5:

E=3×5+5×5=15+25=40.E = 3 \times 5 + 5 \times 5 = 15 + 25 = 40 .

Reken F=2(a+3b)F = 2(a + 3b) uit voor a=4a = 4 en b=0.5b = 0.5:

F=2×(4+3×0.5)=2×(4+1.5)=2×5.5=11.F = 2 \times (4 + 3 \times 0.5) = 2 \times (4 + 1.5) = 2 \times 5.5 = 11 .

48.3 Uitdrukkingen herleiden

Propositie 48.6 (Gelijksoortige termen samennemen)

Termen met hetzelfde letterdeel kun je samennemen door hun getallen op te tellen (dat is de distributiviteit, Stelling 45.6, achterstevoren gelezen):

5x+3x=(5+3)x=8x,7a2a=5a.5x + 3x = (5 + 3)x = 8x, \qquad 7a - 2a = 5a .

Termen met verschillende letterdelen (zoals 3x3x en 5y5y, of xx en x2x^2) kun je niet samennemen.

Voorbeeld 48.7

Herleid E=4x+7+3x+2E = 4x + 7 + 3x + 2 door de termen te sorteren:

E=(4x+3x)+(7+2)=7x+9.E = (4x + 3x) + (7 + 2) = 7x + 9 .

Pas op: 7x+97x + 9 is niet 16x16x! Test met x=1x = 1: 4+7+3+2=164 + 7 + 3 + 2 = 16 en 7×1+9=167 \times 1 + 9 = 16 komen overeen, maar 16x16x zou ook 1616 zijn — test dus met x=2x = 2: het origineel geeft 8+7+6+2=238 + 7 + 6 + 2 = 23, en 7×2+9=237 \times 2 + 9 = 23, terwijl 16×2=3216 \times 2 = 32. De herleiding 7x+97x + 9 is juist, 16x16x is fout.

Methode 48.8 (Een gelijkheid testen)

Om na te gaan of twee uitdrukkingen voor elke waarde gelijk kunnen zijn:

  1. vul in beide dezelfde waarde in, minstens twee keer (bijvoorbeeld x=2x = 2 en x=10x = 10; vermijd 00 en 11, die verbergen te veel verschillen);
  2. verschillen de uitkomsten ook maar één keer, dan zijn de uitdrukkingen niet gelijk — één tegenvoorbeeld velt een algemene bewering;
  3. komen de uitkomsten overeen, dan is de gelijkheid alleen aannemelijk: een bewijs vraagt algebra (uitwerken, herleiden).

Voorbeeld 48.9

Is 2(x+3)2(x + 3) gelijk aan 2x+62x + 6 voor elke xx? Uitwerken bewijst het: 2(x+3)=2x+2×3=2x+62(x+3) = 2x + 2 \times 3 = 2x + 6. Is (x+1)2(x + 1)^2 gelijk aan x2+1x^2 + 1? Test x=2x = 2: (2+1)2=9(2+1)^2 = 9 maar 22+1=52^2 + 1 = 5. Nee — en één tegenvoorbeeld is een volledig bewijs van “nee”.

48.4 Uitdrukkingen opstellen

Voorbeeld 48.10 (Van situatie naar uitdrukking)

Een taxi rekent 44 euro plus 22 euro per kilometer. Voor een rit van kk kilometer is de prijs

p=4+2keuro.p = 4 + 2k \quad\text{euro}.

Voor k=7k = 7: p=4+14=18p = 4 + 14 = 18 euro. De uitdrukking is het algemene antwoord; invullen levert elk bijzonder antwoord op.

Voorbeeld 48.11 (Getaltrucs)

“Denk aan een getal, verdubbel het, tel er 1010 bij op, deel door 22, en haal je eigen getal eraf.” Noem het getal nn en volg de stappen:

n  2n  2n+10  2n+102=n+5  n+5n=5.n \ \to\ 2n \ \to\ 2n + 10 \ \to\ \frac{2n + 10}{2} = n + 5 \ \to\ n + 5 - n = 5 .

Iedereen krijgt 55, wat nn ook was — de letters verklaren de goocheltruc.

48.5 Oefeningen

Oefening 48.1

Vereenvoudig de schrijfwijze:

7×x,y×3,a×b×5,x×x,2×(a+4).7 \times x, \qquad y \times 3, \qquad a \times b \times 5, \qquad x \times x, \qquad 2 \times (a + 4).
Oplossing

Oplossing van Oefening 48.1.

7x7x; 3y3y; 5ab5ab; x2x^2; 2(a+4)2(a + 4).

Oefening 48.2

Zet de ×\times-tekens terug:

5ab,3(x+2),x2+4x,2a3.5ab, \qquad 3(x + 2), \qquad x^2 + 4x, \qquad 2a^3 .
Oplossing

Oplossing van Oefening 48.2.

5ab=5×a×b5ab = 5 \times a \times b; 3(x+2)=3×(x+2)3(x+2) = 3 \times (x + 2); x2+4x=x×x+4×xx^2 + 4x = x \times x + 4 \times x; 2a3=2×a×a×a2a^3 = 2 \times a \times a \times a.

Oefening 48.3

Reken uit voor x=3x = 3: 5x+15x + 1; x2x^2; 2x2x2x^2 - x; 102x10 - 2x.

Oplossing

Oplossing van Oefening 48.3.

Voor x=3x = 3: 5×3+1=165 \times 3 + 1 = 16; 3×3=93 \times 3 = 9; 2×93=152 \times 9 - 3 = 15; 106=410 - 6 = 4.

Oefening 48.4

Reken 3a+2b3a + 2b en ab+5a b + 5 uit voor a=4a = 4 en b=1.5b = 1.5.

Oplossing

Oplossing van Oefening 48.4.

3a+2b=12+3=153a + 2b = 12 + 3 = 15; ab+5=4×1.5+5=6+5=11ab + 5 = 4 \times 1.5 + 5 = 6 + 5 = 11.

Oefening 48.5

Herleid:

8x+5x,9a4a+a,6y+2+3y+7,5t+32t3.8x + 5x, \qquad 9a - 4a + a, \qquad 6y + 2 + 3y + 7, \qquad 5t + 3 - 2t - 3 .
Oplossing

Oplossing van Oefening 48.5.

8x+5x=13x8x + 5x = 13x; 9a4a+a=6a9a - 4a + a = 6a; 6y+2+3y+7=9y+96y + 2 + 3y + 7 = 9y + 9; 5t+32t3=3t5t + 3 - 2t - 3 = 3t.

Oefening 48.6

Geef een formule voor: de omtrek van een vierkant met zijde zz; de omtrek van een gelijkbenige driehoek met basis bb en gelijke zijden ss; de prijs van nn broden van 1.201.20 euro per stuk.

Oplossing

Oplossing van Oefening 48.6.

Vierkant: P=4zP = 4z. Gelijkbenige driehoek: P=b+2sP = b + 2s. Broden: p=1.20np = 1.20\,n euro.

Oefening 48.7

Koppel elke uitdrukking aan een beschrijving: 2n2n; n+2n + 2; n2n^2; n2\frac n2. Beschrijvingen: “de helft van nn”; “het dubbele van nn”; “het kwadraat van nn”; “twee meer dan nn”.

Oplossing

Oplossing van Oefening 48.7.

2n2n: het dubbele; n+2n + 2: twee meer dan nn; n2n^2: het kwadraat; n2\frac n2: de helft.

Oefening 48.8 ★★

Beslis met Methode 48.8 (met een bewijs of een tegenvoorbeeld) of deze gelijkheden voor elke xx gelden:

3(x+4)=3x+12;2x+5=7x;x+x=x2.3(x + 4) = 3x + 12; \qquad 2x + 5 = 7x; \qquad x + x = x^2 .
Oplossing

Oplossing van Oefening 48.8.

3(x+4)=3x+123(x+4) = 3x + 12: waar voor elke xx (distributiviteit — dit is een bewijs, testen is niet nodig).

2x+5=7x2x + 5 = 7x: test x=2x = 2: links 99, rechts 1414 — in het algemeen niet waar (het geldt alleen voor x=1x = 1).

x+x=x2x + x = x^2: test x=3x = 3: links 66, rechts 99 — in het algemeen niet waar (x+x=2xx + x = 2x).

Oefening 48.9 ★★

Een rechthoek heeft breedte bb en zijn lengte is 33 cm meer dan zijn breedte.

  1. Druk de lengte uit in bb, en daarna de omtrek, en herleid.
  2. Reken de omtrek uit voor b=5b = 5 cm, rechtstreeks en met je herleide formule. Hetzelfde antwoord?
Oplossing

Oplossing van Oefening 48.9.

1. Lengte: b+3b + 3. Omtrek:

P=2(b+(b+3))=2(2b+3)=4b+6.P = 2\bigl(b + (b + 3)\bigr) = 2(2b + 3) = 4b + 6 .

2. Voor b=5b = 5: rechtstreeks zijn de zijden 55 en 88, dus P=2×13=26P = 2 \times 13 = 26 cm; met de formule 4×5+6=264 \times 5 + 6 = 26 cm. Dat komt overeen.

Oefening 48.10 ★★

Volg de truc van Voorbeeld 48.11 met letters: “denk aan een getal, tel er 66 bij op, vermenigvuldig met 33, haal er 1818 af, en deel door je startgetal” (neem aan dat dat niet nul is). Wat krijgt iedereen?

Oplossing

Oplossing van Oefening 48.10.

De stappen met de letter nn gevolgd:

n  n+6  3(n+6)=3n+18  3n+1818=3n  3nn=3.n \ \to\ n + 6 \ \to\ 3(n + 6) = 3n + 18 \ \to\ 3n + 18 - 18 = 3n \ \to\ \frac{3n}{n} = 3 .

Iedereen krijgt 33.

Oefening 48.11 ★★★

De figuur hieronder is een vierkant met zijde aa waaruit in een hoek een vierkant met zijde bb is weggehaald (bb kleiner dan aa). Schrijf twee verschillende uitdrukkingen voor haar oppervlakte op (één als verschil, één door de L-vorm in twee rechthoeken te knippen), en ga na dat ze overeenkomen voor a=5a = 5 en b=2b = 2.

Oplossing

Oplossing van Oefening 48.11.

Als verschil: A=a2b2A = a^2 - b^2. Door de L in twee rechthoeken te knippen: een strook over de volle breedte met hoogte aba - b en daarbovenop een smallere rechthoek:

A=a(ab)+b(ab)A = a(a - b) + b(a - b)

(de onderste rechthoek aa breed en aba - b hoog, de bovenste aba - b breed en bb hoog geeft de variant a(ab)+(ab)ba(a-b) + (a-b)b — hetzelfde). Voor a=5a = 5 en b=2b = 2: a2b2=254=21a^2 - b^2 = 25 - 4 = 21, en 5×3+2×3=15+6=215 \times 3 + 2 \times 3 = 15 + 6 = 21. Beide uitdrukkingen komen overeen — en dat doen ze altijd: dit is de vermomde merkwaardige gelijkheid a2b2=(a+b)(ab)a^2 - b^2 = (a + b)(a - b) uit Hoofdstuk 66.

48.6 Opgave: het luciferorakel

Probleem 48.1

Weekendopgave — groeiende patronen en hun nn-de term: drie formules voor één patroon, en het beroemde patroon dat bij de zesde stap bezwijkt

Leg luciferstokjes in een rij vierkanten: één vierkant, dan twee, dan drie … Hoeveel stokjes heeft de honderdste figuur nodig? Ze één voor één tellen zou je hele weekend kosten; een formule in nn antwoordt in één keer voor elke figuur — precies waar letters voor zijn (Voorbeeld 48.3). Maar pas op: deze opgave eindigt met een gevierd patroon dat vijf stappen eerlijk speelt en daarna iedereen verraadt die erop vertrouwde.

Deel I — Een rij vierkanten. Figuur 11 is één vierkant van stokjes (44 stokjes); elke volgende figuur voegt er één vierkant aan toe dat een zijde met het vorige deelt.

  1. Teken de figuren 11 tot 44 en tel hun stokjes.
  2. Leg uit waarom elk nieuw vierkant precies 33 extra stokjes kost, en voorspel daarmee het aantal voor figuur 1010 zonder formule.
  3. Verantwoord de formule: figuur nn heeft 3n+13n + 1 stokjes nodig. (Waar komt die eenzame “+1+1” vandaan?) Controleer haar met vraag 1.
  4. Amir denkt anders: “44 stokjes voor het eerste vierkant, en dan 33 voor elk van de n1n - 1 andere”, dus 4+3(n1)4 + 3(n - 1). Werk zijn uitdrukking uit en herleid haar (Propositie 48.6): is hij het met vraag 3 eens?
  5. Lena telt op een derde manier: “2n2n horizontale stokjes en n+1n + 1 verticale.” Schrijf haar formule op, herleid haar, en besluit. Antwoord daarna op de openingsvraag: hoeveel stokjes voor figuur 100100?

Deel II — Driehoeken, tafels en achterstevoren rekenen.

  1. Een rij driehoeken van stokjes (elke nieuwe driehoek leunt tegen de vorige): tel de stokjes voor 11, 22 en 33 driehoeken, en verantwoord daarna de formule 2n+12n + 1 voor nn driehoeken.
  2. Achterstevoren: hoeveel driehoeken kan de rij hebben met precies 4949 stokjes? (Maak de formule stap voor stap ongedaan.)
  3. Aan vierkante banketttafels zit één gast per vrije zijde. Leg uit waarom de formule voor nn tafels in één lange rij 2n+22n + 2 plaatsen geeft, en controleer haar voor 11, 22 en 33 tafels.
  4. Op een feest worden 3030 gasten verwacht. Hoeveel tafels heeft één rij nodig? De cateraar zet dezelfde tafels in plaats daarvan in twee rijen van zeven: hoeveel gasten passen er nu? Verklaar de winst met de formule.
  5. Stippenpatroon: figuur nn is een L van stippen, nn stippen hoog en nn stippen breed (de hoekstip één keer geteld). Tel de stippen van de figuren 11, 22 en 33, zoek de formule, en noem de getallen die ze oplevert. (Op elkaar gelegd betegelen deze L’s een vierkant — een verhaal dat in Probleem 57.1 verdergaat.)

Deel III — Vertrouwen, testen, bewijzen.

  1. Een klasgenoot beweert dat figuur nn van deel I 3(n+2)53(n + 2) - 5 stokjes nodig heeft. Beslis over die bewering door uit te werken en te herleiden — testen is niet nodig.
  2. “Kwadrateren maakt getallen groter, dus n2nn^2 \geq n voor elk getal nn.” Test de bewering voor n=2n = 2, 33 en 1010; zoek daarna een getal waarvoor ze faalt. Wat hebben de drie geslaagde tests bewezen, en wat bewijst die ene mislukking (Methode 48.8)?
  3. Zet punten op een cirkel en teken elk lijnstuk tussen die punten; tel daarna de gebieden binnen de cirkel. Doe het voor 22, 33, 44 en 55 punten (zet de punten ongelijkmatig, zodat er nooit drie lijnstukken door één binnenpunt gaan). Noteer de aantallen. Welke formule fluistert het patroon je in?
  4. Nu 66 punten, groot en ongelijkmatig getekend, en heel zorgvuldig geteld (er zijn veel kleine gebieden). Hoeveel gebieden vind je — en wat is er met het vermoeden gebeurd?
  5. De moraal, in twee zinnen: wat zou er nodig zijn geweest om het verdubbelvermoeden te bewijzen, en waarom hebben de luciferformules van deel I en II nooit in zo’n gevaar verkeerd? Vier het met een bewezen voorspelling: hoeveel stokjes voor de rij van 20262\,026 vierkanten?
Oplossing

Oplossing van Probleem 48.1.

1. De figuren 11 tot 44 hebben 44, 77, 1010 en 1313 stokjes nodig.

2. Een nieuw vierkant deelt één zijde met de vorige figuur, dus zijn maar 33 van zijn 44 zijden nieuwe stokjes. Vanaf figuur 44 (1313 stokjes) kosten zes vierkanten erbij 6×3=186 \times 3 = 18: figuur 1010 heeft 13+18=3113 + 18 = 31 stokjes nodig.

3. Lees de rij van links af: hij begint met één verticaal stokje, en elk van de nn vierkanten voegt daarna een boven-, een onder- en een rechterzijde toe — 33 stokjes per vierkant. Totaal: 3n+13n + 1; die “+1+1” is het allereerste verticale stokje. Controle: n=1,2,3,4n = 1, 2, 3, 4 geven 4,7,10,134, 7, 10, 13.

4. 4+3(n1)=4+3n3=3n+14 + 3(n - 1) = 4 + 3n - 3 = 3n + 1: de formule van Amir werkt uit tot precies dezelfde herleide uitdrukking. Volledige overeenstemming.

5. Lena: 2n+(n+1)=3n+12n + (n + 1) = 3n + 1 — opnieuw hetzelfde. Drie manieren van kijken, één herleide vorm. Figuur 100100: 3×100+1=3013 \times 100 + 1 = 301 stokjes.

6. De aantallen: 33, 55, 77 stokjes. Elke nieuwe driehoek leunt tegen een bestaande zijde en voegt maar 22 stokjes toe, vanaf 33: figuur nn heeft 3+2(n1)=2n+13 + 2(n - 1) = 2n + 1 stokjes nodig.

7. Maak 2n+1=492n + 1 = 49 ongedaan: het eerste stokje eraf laat 4848 over, en elke driehoek staat voor 22: 48÷2=2448 \div 2 = 24 driehoeken.

8. In een rij van nn tafels biedt elke tafel haar boven- en onderzijde (2n2n plaatsen), en de twee tafels aan de uiteinden bieden elk nog een extra zijde (+2+2): 2n+22n + 2 plaatsen. Controle: 44, 66, 88 voor n=1,2,3n = 1, 2, 3.

9. Eén rij: 2n+2302n + 2 \geq 30 vraagt 2n282n \geq 28, dus 1414 tafels. Deel je dezelfde 1414 tafels in twee rijen van 77: elke rij biedt 2×7+2=162 \times 7 + 2 = 16 plaatsen, samen 3232 — twee meer dan de enkele rij, omdat elke nieuwe rij twee nieuwe uiteinden meebrengt. (Elke splitsing levert 22 plaatsen op; cateraars weten dat.)

10. De L van maat nn heeft nn stippen omhoog en nn stippen naar de zijkant, met de hoekstip gedeeld: n+n1=2n1n + n - 1 = 2n - 1 stippen. De figuren 11, 22 en 33: 11, 33 en 55 stippen — de oneven getallen. In elkaar geschoven vullen de L’s een vierkant van n×nn \times n stippen: het verhaal van Probleem 57.1.

11. 3(n+2)5=3n+65=3n+13(n + 2) - 5 = 3n + 6 - 5 = 3n + 1: de bewering herleidt tot de bewezen formule, dus is ze juist voor elke nn — vastgesteld met algebra en niet met voorbeelden.

12. Tests: 424 \geq 2, 939 \geq 3, 10010100 \geq 10: alle drie geslaagd. Maar n=0.5n = 0.5 geeft n2=0.25<0.5n^2 = 0.25 < 0.5: de bewering faalt. De drie tests bewezen niets over alle getallen (ze vonden alleen geen problemen); dat ene tegenvoorbeeld bewijst dat de algemene bewering onjuist is (Methode 48.8). Een letter staat voor elk getal — decimalen inbegrepen.

13. Gebieden: 22 punten 2\to 2; 33 punten 4\to 4; 44 punten 8\to 8; 55 punten 16\to 16. Het patroon fluistert “elk punt verdubbelt het aantal”: voor 66 punten verwacht je 3232 gebieden.

14. Zorgvuldig tellen geeft 3131 gebieden — geen 3232. Het verdubbelvermoeden is dood: het doorstond vier controles en faalde bij de vijfde. (Dit tegenvoorbeeld is beroemd genoeg om een naam te hebben, “de valstrik van de cirkelgebieden”; en geen sluiproutes met gelijkmatig verdeelde punten — drie koorden door één punt zouden gebieden laten samensmelten en de telling bederven.)

15. Een bewijs zou een structurele reden nodig hebben gehad waarom een punt erbij het aantal gebieden verdubbelt — en die is er niet: het verdubbelen was een toevalligheid van kleine gevallen. De luciferformules waren veilig omdat elk van hen rechtstreeks van de constructie is afgelezen (elk vierkant kost zichtbaar 33 stokjes, elke tafel biedt zichtbaar 22 plaatsen): structuur, geen testen. Een bewezen voorspelling: 3×2026+1=60793 \times 2\,026 + 1 = 6\,079 stokjes.